Een vaccinatieschema voor katten Picture

English Dutch French

[Vertaald door Karin Sandbergen.]

Door Prof. Oswald Jarrett, Universiteit van Glasgow, 2007.
(Herdrukt met toestemming).

Is jaarlijkse vaccinatie noodzakelijk?

Iedereen is het er wel over eens dat vaccinatie van katten en honden tegen de voornaamste besmettelijke ziektes, die bij elke soort voorkomen, zeer wenselijk is en dat een eerste vaccinatiekuur vroeg in het leven van het dier gegeven moet worden, gevolgd door een booster na één jaar om er zeker van te zijn dat de meeste dieren weerstand opbouwen. Er is echter een discussie aan de gang over hoe vaak katten en honden vervolgens moeten worden gevaccineerd en welke vaccins moeten worden gebruikt. Aanvankelijk werd aangenomen dat het noodzakelijk was om elk jaar te vaccineren. De laatste paar jaar zijn er echter vraagtekens gezet bij de noodzaak van jaarlijkse vaccinatie. Verschillende instanties hebben het advies gegeven dat booster-inentingen van de gebruikelijke vaccins slechts eens in de drie jaar moeten worden gegeven, in plaats van jaarlijks.

Hoe beslissen we welke werkwijze wordt gevolgd?

Dit te veranderen zonder dat de gezondheid van dieren in de waagschaal wordt gesteld, vereist meer kennis van de duur van de immuniteit bij gevaccineerde katten of honden. Veel fabrikanten van vaccins hebben geprobeerd dit onderwerp aan de kaak te stellen door langdurige onderzoeken naar de duur van de immuniteit uit te voeren, waarbij jonge dieren worden gevaccineerd en daarna in quarantaine worden gehouden voordat zij, met tussenpozen, worden blootgesteld aan de van toepassing zijnde besmettelijke stoffen; bijvoorbeeld, één, twee of drie jaar na de eerste vaccinatie. De nadelen van deze aanpak zijn de negatieve kanten voor het welzijn van de zo lang in quarantaine gehouden dieren waarmee wordt geëxperimenteerd, en de aanzienlijke kosten die hiermee gepaard gaan. Een andere aanpak is om de doeltreffendheid van de vaccins vast te stellen, door na het toedienen met tussenpozen de bloedsera van gevaccineerde huisdieren op antilichamen tegen de desbetreffende antigenen te testen. Deze aanpak werkt alleen als er voldoende bewijs is dat een specifiek niveau van antilichamen positief in verband kan worden gebracht met de weerstand die wordt geboden tegen een aanval van de besmettelijke stof. Het bekendste voorbeeld hiervan is de vaccinatie tegen hondsdolheid: een niveau van 0,5 internationale eenheden of meer in de antilichamen van het bloedserum geeft aan dat een kat of hond wordt beschermd tegen een aanval van het levende hondsdolheidvirus.

Welke informatie kan het serologisch testen van huisdieren ons geven over de bescherming door een vaccin?

Kan deze serologische aanpak ook worden toegepast bij de gebruikelijke vaccins tegen besmettelijke katten- en hondenziektes? Daarvoor zijn zeker goede bewijzen dat dit mogelijk is bij honden. Een specifiek antilichaamtiter, afgemeten aan de neutralisatie van het virus in het geval van hondenziekte en honden adenovirus, of haemagglutinatie-inhibitie van het canine parvovirus, houdt verband met beschermende immuniteit tegen elk virus. Door het gebruik van serologische tests is er aangetoond dat een zeer groot deel van de hondenpopulatie een lange periode na de vaccinatie immuun en daardoor beschermd blijft. Deze onderzoeken steunen het idee dat hervaccinatie met een tussenpoze van drie jaar voldoende is om immuun te blijven.

Is deze aanpak mogelijk bij de kat?

En de kat? Helaas is de situatie hier minder duidelijk. Antilichamen tegen het feline parvovirus (FPV), feline calicivirus (FCV) en feline herpesvirus (FHV) kunnen worden afgemeten aan de bloedsera van katten en er is geen twijfel mogelijk dat vaccinatie leidt tot antilichamen die gedurende lange perioden aanwezig blijven. De vraag blijft echter: Geeft een specifiek niveau van antilichamen aan dat een kat is beschermd tegen een aanval? Dit is waar voor FPV, maar hoeft niet zo te zijn voor de andere twee virussen. Met betrekking tot deze virussen kan alleen worden gesteld dat een bepaald niveau aan antilichamen aangeeft dat de kat gevaccineerd is, wat niet betekent dat de kat beschermd is tegen een aanval van een virus in de open lucht. Ondanks deze mogelijke problemen, toont recent onderzoek aan dat immuniteit voor een virus, net als het niveau van de antilichamen, lange tijd na de vaccinatie aanwezig blijft. Daarom is het idee geopperd dat voor katten, net als voor honden, na de eerste vaccinatie en de booster, met tussenpozen van drie jaar hervaccinatie moet plaatsvinden.

En niet-kern vaccins voor katten?

Immuniteit door middel van een vaccin tegen feline leukemievirus, chlamydia, kennelhoest, feline coronavirus of kattenaids kan niet worden vastgesteld door serologische tests.

De toekomst?

Het is mogelijk dat we binnenkort beter weten hoe we katten moeten vaccineren omdat er op dit moment veel onderzoek wordt gedaan naar het vaststellen van de immuniteitsduur van de vaccins voor katten. Nog een groot voordeel van het verzamelen van gegevens over de duur van de immuniteit, is de registrerende instanties de gelegenheid te geven om van fabrikanten te eisen dat zij de doeltreffendheid van hun producten voor huiskattenpopulaties onderzoeken, als voorwaarde voor het verkrijgen van een vergunning voor hun product.

Voorgesteld schema voor de vaccinatie van katten

Kern vaccins
FPV, FCV, FHV Alle katten Eerste kuur + booster na 12 maanden Elke 3 jaar hervaccineren
'Speciale' kern vaccins
Hondsdolheid Katten met gevaar voor blootstelling Eerste kuur Elke 2 jaar hervaccineren
FeLV Katten met gevaar voor blootstelling (inclusief alle buitenkatten) Eerste kuur + booster na 12 maanden Elke 2 jaar hervaccineren
'Niet-kern' vaccins
Chlamydia, Kennelhoest (oftewel Bordatella), (FIP, FIV) Katten in een besloten omgeving Eerste kuur Volgens de instructies van de fabrikant