Vaccinatie bij katten Picture

English Dutch French Portuguese

[Vertaald door Karin Sandbergen.]

Door Marie-Bernadette Pautet, Chacolaterie's Somalis, 2006.
Verslag van de 2006/03 SFF-conferentie, getiteld "Het laatste nieuws over vaccinatie bij katten".
(Herdrukt met toestemming).

Ongeveer 50 fokkers en dierenartsen bezochten de conferentie van de Franse Kattenvereniging (SFF), die werd gehouden in de nationale diergeneeskundige school van Maisons-Alfort op 25 maart 2006 om de huidige stand van zaken ten aanzien van vaccinatie bij katten onder de loep te nemen.

Dit artikel is een opsomming van de hoogtepunten om fokkers, die de conferentie niet konden of wilden bijwonen, op de hoogte te brengen. De teksten (in het Frans) van de lezingen kunnen, samen met een herdruk van het foto- en diamateriaal, voor 45 euro bij de SFF worden besteld.

Mijn verhaal gaat over de volgende onderwerpen:

  1. Immunologie van de vaccinatie
  2. Soorten vaccins en vaccinatievoorschriften
  3. Algemeen voorkomende besmettelijke ziektes
  4. Leukemie
  5. Binnen afzienbare tijd vaccins tegen FIV (kattenaids) en FIP (Feline Infectieuze Peritonitis)?
  6. Vaccinaties en fibrosarcomen

Ondanks dat ik mijn best heb gedaan de meningen van de sprekers hier zo goed mogelijk weer te geven, stel ik het op prijs als bezoekers en sprekers van de conferentie op- en aanmerkingen geven op deze samenvatting, mochten zij fouten, of iets dat ik over het hoofd heb gezien, constateren.
De eerste lezing is een nogal technisch verhaal, ingewikkeld voor mensen die geen kennis hebben van de wijze waarop het natuurlijke afweersysteem van het lichaam werkt.

1. Immunologie van de vaccinatie

Lezing door Dr. Jennifer Richardson (diergeneeskundige school van Alfort).

Immuunreacties (IR) zijn er in twee categorieën: aangeboren immuunreacties, die snel kunnen ontstaan, terwijl verworven immuunreacties meer tijd nodig hebben. Deze laatste, die alleen in gewervelde dieren worden aangetroffen, zijn grondiger bestudeerd; alleen zij hebben een geheugen, een eigenschap waar vaccinatie direct gebruik van maakt. Toch is er onlangs ontdekt dat aangeboren IR nodig zijn om verworven IR op te wekken; daarom moeten we beide onderkennen en met beide rekening houden bij de ontwikkeling van vaccins.

Aangeboren IR horen niet bij een specifieke ziekteverwekker. Ze zijn een indirect gevolg van:

  • Pro-inflammatoire of allergische reacties veroorzaakt door fagocyten;
  • Het vrijkomen van interferonen die de weerstand tegen virale infecties vergroten;
  • Het activeren van dendritische cellen. Deze cellen herkennen een breed scala aan ziekteverwekkende stoffen door middel van hun TLR receptoren. Eigenlijk herkennen zij wat PAMP (Pathogeen-geassocieerde Moleculaire Patronen) worden genoemd. Eenmaal geactiveerd, wekken dendritische cellen verworven IR op door aan T-cellen antigenen te presenteren, die dienen als alarmsignaal.

Verworven immuunreacties zijn verdeeld in:

  • Reacties via de lichaamsvloeistoffen: Eenmaal in plasmacellen veranderd, kunnen B-cellen antilichamen afscheiden (immunoglobulines).
  • Reacties via de cellen, waar T-cellen een sleutelrol spelen. T-cellen kunnen specifieke antigeenfragmenten herkennen (eenmaal geactiveerd hebben antigeen-presenterende cellen ze al opgenomen en gekoppeld aan major histocompatibility complex (MHC) moleculen).
    T-cellen scheiden of CD4 moleculen af (CD4+ T-cellen), die in samenwerking met MHC klasse II moleculen antigene peptiden, die hun oorsprong buiten een cel hebben, kunnen herkennen, of CD8-kenmerken (CD8+ T-cellen) die in samenwerking met MHC klasse I moleculen een wisselwerking hebben met antigene peptiden, die hun oorsprong binnen een cel hebben.
    Enkele vrij recente onderzoeken hebben aangetoond dat geheugenreacties van CD8+ T-cellen op infecties en vaccinaties afhankelijk zijn van CD4+ T-cellen. CD4+ T-cellen activeren zowel B-cellen als reacties van de lichaamsvloeistoffen. Deze cellen werken daarom op verschillen manieren samen. T-helpercellen (TH), een ander soort T-cellen, kunnen worden onderverdeeld in twee belangrijke subgroepen (TH1 en TH2), al naar gelang de cytokines die zij aanmaken. TH1 bevordert immuunreacties van de cellen, terwijl TH2 de reacties van de lichaamsvloeistoffen opwekt.

Immunologisch geheugen, waarop vaccinatie vertrouwt, betrekt hierbij zowel op de lange termijn plasmacellen als geheugen-B en T-cellen. Effectieve reacties zullen veel eerder plaatsvinden, dan wanneer het antigeen voor de eerste keer was aangetroffen.
Om een vaccin doeltreffend te laten zijn, moeten geheugen IR snel worden opgewekt, als de vaccingerichte ziekteverwekkende stof het lichaam aanvalt. Echter, hiervoor is het noodzakelijk dat ook de juiste aangeboren IR worden opgewekt. Dit doel wordt vaak bereikt door PAMP of vergelijkbare moleculen als hulpstoffen in subunit vaccins toe te voegen. Afhankelijk van elke specifiek ziekteverwekkende stof, zou het vaccin dan ook TH1- of TH2-effectoren moeten aansporen verworven IR de beste weg te tonen.

2. Soorten vaccins en vaccinatievoorschriften

Lezingen door Prof. Jean-Pierre Gannière (Diergeneeskundige school in Nantes), Prof. Oswald Jarrett (Universiteit van Glasgow) en Dr. Hervé Poulet (Merial).

Men moet voor ogen houden dat de drie doelen van vaccinatie zijn:

  1. Het vermijden van een aanval van een ernstige ziekte door het voorkomen of het verminderen van het ziektebeeld (voor het dier zelf);
  2. Het verminderen van zowel dragerschap als de gevolgen van verspreiding van het virus (voor de groep);
  3. Het vermijden van overdragen van infectieziekten van dieren op mensen (voor mensen).

Geen vaccin is 100% doeltreffend. Vaccins voorkomen gewoonlijk zowel infectie als ziekte, behalve in het geval van infecties van de bovenste luchtwegen (calicivirussen en herpesvirussen). Wat betreft deze virussen, zijn de effecten van de ziekte minder, maar kan besmetting niet worden voorkomen (als gevolg van het verschil in antistoffen tussen het virus dat wordt gebruikt in vaccins en virussen in de open lucht).

Beschikbare vaccins voor katten kunnen soms beschermen tegen zowel virusziekten als bacteriële aandoeningen.

Er zijn verschillende soorten vaccins. De "klassieke" vaccins hebben de volledige ziekteverwekkende stof als inhoud, levend of dood, terwijl de modernere vaccins gebaseerd zijn op onderdelen van een ziekteverwekkende stof, of recombinant DNA uitscheiden (enkele van de ziekteverwekkende genen worden tussen de niet-ziekteverwekkende bacterie of het niet-ziekteverwekkende virus geplaatst). Een van de voordelen is de mogelijkheid het uiteindelijke product te zuiveren, waardoor het risico van verontreiniging door andere biologische of besmette onderdelen wordt vermeden.
De vaccins zijn onder te verdelen in:

  • Levend-verzwakte vaccins, dat wil zeggen de stof kan worden gekopieerd maar de toxiciteit is afgenomen;
  • Gedode vaccins, dat wil zeggen de stof kan niet meer worden gekopieerd;
  • Subunit vaccins;
  • Recombinant vaccins.

Vanwege de vermoedelijke relatie tussen hulpstoffen en fibrosarcomen (zie hieronder, paragraaf 6), is het onderwerp van de aanwezigheid van hulpstoffen door het publiek ter sprake gebracht. Hulpstoffen blijven echter een belangrijk onderdeel van de doeltreffendheid van sommige vaccins, vooral voor gedode en subunit vaccins, waar zij noodzakelijk zijn om de actieve stof op een juiste manier naar het immuunsysteem te leiden.

Hondsdolheid

Het hondsdolheidvirus behoort tot de familie van lyssavirussen. In Frankrijk zijn alle gepatenteerde vaccins voorzien van gedode ziekteverwekkers en hulpstoffen (aluminium hydroxide of aluminium fosfaat): Enduracell® R Mono (Pfizer), Novibac® Rage (Intervet), Rabigen® Mono (Virbac), Rabisin® (Merial), Unirab® (Fort Dodge) of Quadricat® (Merial.

Een recombinant vaccin dat gebruik maakt van het kanariepokkenvirus om een glycoprote´ne van het hondsdolheidvirus af te scheiden (Merial Purevax® Feline Rabiës) biedt perspectieven en zal waarschijnlijk in Frankrijk worden gepatenteerd, als de wetgeving wordt aangepast. [Opmerking van de redacteur: dit vaccin is in andere landen gepatenteerd.]

De huidige vaccins lijken niet te beschermen tegen een andere vorm van hondsdolheid, een door vleermuizen overgebracht lyssavirus (EBL-1 virus).

Panleukopenie of kattenziekte

Dit is de meest besmettelijke en ernstigste ziekte bij katten.

FPV (Feline Parvovirus) is zeer resistent. Dit stabiele virus heeft echter maar één serotype, waardoor de huidige, gepatenteerde vaccins zeer doeltreffend zijn gebleken. Alle FPV-vaccins maken gebruik van levend-verzwakte stoffen (in multivalente vaccins, met uitzondering van Merial Purevax® P) of gedode stoffen (geadjuveerde Fort Dodge Fevaxyn® Pentofel).

Feline rhinotracheitis of herpesvirus

FHV (Feline Herpes Virus) ) neemt 40% van de gevallen van infecties van de bovenste luchtwegen voor zijn rekening. Het is ook de belangrijkste oorzaak van bindvliesontsteking en ontstekingen van het hoornvlies. Het virus kan sluimerend aanwezig blijven, waardoor de kwaal kan terugkomen bij besmette katten.

Er is maar één FHV serotype, waarvan de antigene kenmerken stabiel zijn. Gewoonlijk zijn vaccins tegen het herpesvirus de klassieke, die gebruik maken van levend-verzwakte stoffen in bivalente producten (bescherming tegen het herpesvirus wordt altijd gecombineerd met bescherming tegen het calicivirus) of zelfs tri-, quadri- of pentavalente vaccins, behalve Fort Dodge Fevaxyn® Pentofel (een gedood vaccin) en Merial Quadricat® (subunit vaccin).

Feline calicivirussen

Er is maar één FCV (Feline Calici Virus) serotype, maar er bestaan veel antigene vormen (hoogst veranderlijke gebieden in de eiwitmantel van het virus). Eenmaal besmet, blijven 15 tot 20% van de katten het virus met zich meedragen. Gewoonlijk gebruiken FCV-vaccins levend-verzwakte stoffen in bivalente producten (altijd verbonden met FHV, zoals hierboven vermeld) of vaccins met gedode stoffen, al (Fort Dodge Fevaxyn® Pentofel en Merial Quadricat®) dan niet (Merial Purevax®) met hulpstoffen. Allemaal zorgen ze ervoor dat het ziektebeeld minder wordt, maar kunnen echter niet voorkomen dat de besmetting plaatsvindt.

Hemorragische koortsen, veroorzaakt door het calicivirus, waarvan de eerste uitbraken in de Verenigde Staten plaats vonden, worden nu ook in Europa waargenomen. De gewone vaccins bieden nauwelijks bescherming tegen deze variant van het calicivirus.

FCV is waargenomen in 90% van de gevallen van chronische tandvlees- en mondslijmvliesontstekingen. Het lijkt er op dat FCV-besmetting en vereenvoudiging van de immuunreactie (ongewone verschuiving naar een gemengde TH1 en TH2 reactie) twee belangrijke factoren zijn in deze, nog steeds slecht begrepen ziekte.

Om de doeltreffendheid van de vaccinatie tegen calicivirussen te verbeteren, beveelt Merial aan recente en immuundominante stammen te gebruiken. Onder druk van vaccinatie hebben antigene mutaties plaats gevonden en zijn resistente stammen ontstaan. Het is veiliger een recombinante of dode stof te gebruiken om mogelijk achtergebleven toxiciteit van levend-verzwakte vaccins te vermijden. Het nieuwe, vrij van hulpstoffen, dode M725 vaccin, combineert twee immuundominante stammen met verschillende antigeniciteit.

Feline leukemie

FeLV (Feline Leukemie Virus) is een zeer instabiel virus. Besmetting met FeLV is blijvend omdat dit retrovirus in het DNA van de cellen wordt opgenomen.

Alle tegenwoordig verkrijgbare FeLV klassieke vaccins, die gebruik maken van dode stoffen of subunits, zijn voorzien van hulpstoffen (dit kenmerk is noodzakelijk voor hun doeltreffendheid). Er bestaat een recombinant vaccin zonder hulpstoffen, dat gebruik maakt van een verzwakte kanariepokken ziekte-overdrager, dat twee van de FeLV genen afscheidt.

Feline Chlamydophila (vroeger "Feline Chlamydia")

Bij deze aandoening is de ziekteverwekkende stof chlamydophila felis, een resistente bacterie, die leidt tot chronisch dragerschap. Vaccins hiertegen vallen onder de multivalente producten. Ze zijn afkomstig uit levend-verzwakte of dode stoffen.

Er is ook een vaccin tegen kennelhoest (niet gepatenteerd in Frankrijk). Een deelnemer vertelde over zijn ervaringen met het gebruik van een vaccin voor honden, met goede resultaten, op kittens.

Aanbevolen richtlijnen

Het is niet gerechtvaardigd om elke kat tegen alle ziektes te vaccineren. De voorschriften moeten aan elk specifiek geval worden aangepast. Onderzoeken zijn verricht om de immuniteitsduur van de vaccins vast te stellen, en tegenwoordig zijn de aanbevolen richtlijnen als volgt:

  • Binnenkat (die niet in aanraking komt met katten waarvan de toestand onbekend is):
    Kattenziekte (P) + Niesziekte (RC)
  • Kat die in aanraking kan komen met andere katten, waarvan de toestand onbekend is:
    Kattenziekte (P) + Niesziekte (RC) + Leukemie (FeLV)
  • Reizende kat:
    Kattenziekte (P) + Niesziekte (RC) + Leukemie (FeLV) + Hondsdolheid (R)
  • Kat in een omgeving met meerdere katten:
    Met de nadruk op een schone omgeving;
    Kattenziekte (P) + Niesziekte (RC) + Leukemie (FeLV) + Chlamydophila (?)
  • Kat die in een huishouding met meerdere katten gaat wonen:
    Controle van gezondheidstoestand (FIV, FeLV, ...);
    Quarantaine;
    Geregelde hervaccinatie.

Vaccinatie schema

Het wordt nu overal geaccepteerd dat de immuniteitsduur voor verschillende vaccins langer dan een jaar is.

Daarom zijn de algemene richtlijnen voor tussenpozen bij vaccinatie, kleine veranderingen daargelaten, als volgt:

  • Eerste vaccinatie rond 8 à 9 weken, met de tweede dosis 3 à 4 weken later (als de kittens minimaal 3 maanden oud zijn). J.P. Gannière stelt een aanvullende vaccinatie voor bij 16 weken, voor kittens die in een omgeving wonen met meerdere katten;
  • Eerste booster 12 maanden later voor elk vaccin;
  • Jaarlijks booster tegen herpes/calici (RC) en, als dit nodig is, hondsdolheid (R).
    O. Jarrett stelt om de 3 jaar een booster tegen RC voor.
  • Jaarlijkse booster tegen FeLV, indien nodig.
    O. Jarrett stelt een booster om de 2 jaar voor.
  • Boosters om de 2 à 3 jaar tegen kattenziekte (P).
    J.P. Gannière stelt een jaarlijkse booster voor.

Een bezoeker stelde het onderwerp van veterinaire keuringen bij kattenshows aan de orde omdat, ook al bevelen erkende richtlijnen elke 2 à 3 jaar een booster aan, exposanten vrezen dat hen de toegang tot de show wordt geweigerd als de inenting van hun kat langer dan een jaar geleden is geweest.
De meeste vaccinpatenten geven aan dat een jaarlijkse booster vereist is, daarom neemt een dierenarts die ervoor kiest om elke 2 à 3 jaar te vaccineren een grote verantwoordelijkheid (dit is bovendien waar als het gaat om het Europese paspoort, waarin de dierenarts de datum van de volgende vaccinatie moet neerzetten).
Veterinaire keuringen op kattenshows moeten niet meer eisen dan wettelijk is verplicht en Dr. Anne-Claire Chappuis-Gagnon nam het op zich deze informatie te verspreiden, omdat artsen zich al bewust waren van de aanbevolen richtlijnen die een jaarlijkse booster voor sommige vaccins niet verplicht maakt.

Hier zijn twee vragen om uw reactie op vooropgestelde ideeën te testen:

  1. Is een kat beschermd tegen infectie en ziekte, als deze een titer met antilichamen heeft gekregen: GOED of FOUT?
  2. Is de gegeven titer met antilichamen verenigbaar met het feit dat de kat op een juiste manier is gevaccineerd en daardoor waarschijnlijk tegen de ziekte is beschermd: GOED of FOUT?

De antwoorden treft u onderaan de pagina aan[1].

Opmerking van de auteur: De vaccinatierichtlijnen voor katten uit 2006 van de AAFP (American Association of Feline Practioners), gepubliceerd op het Internet, zijn in dit geval interessant om lezen..

3. Algemeen voorkomende besmettelijke ziektes

Lezing door Dr. Corine Boucraut-Baralon, Scanelis.

In Scanelis laboratorium (Toulouse), zijn de meest gevraagde onderzoeken die naar coronavirussen (30%), calicivirussen/FCV (23%) of herpesvirussen/FHV (20%) en chlamydia (10%). Er wordt nauwelijks gevraagd om onderzoeken naar FeLV en FIV, omdat PCR-tests (PCR = Polymerase Chain Reaction) zelden worden gebruikt voor zuiver preventieve doeleinden.

Een Europees onderzoek naar veel voorkomende infecties van de bovenste luchtwegen bij katten (herpesvirus, calicivirus, chlamydophila, kennelhoest enz.) toonde aan dat:

  • Hygiëne een belangrijke rol speelt in hoe vaak een infectie zich voordoet, vooral als het chlamydophilose betreft;
  • Gecombineerde infecties van FHV en FCV normaal zijn in FHV-positieve catteries;
  • Er is een verband tussen het aantal katten in een huishouding en hoe vaak de infectie zich voordoet.

Waar het coronavirussen en FIP betreft, is de epidemieënleer een ingewikkelde zaak. Er wordt aangenomen dat coronavirussen, die zich in de darmen bevinden, in 80% tot 100% van de Europese catteries aanwezig zijn. De omgeving van de dieren is een belangrijke risicofactor voor het krijgen van FIP:

  • Leeftijd (2/3 van de natte FIP-gevallen komt voor bij katten die jonger zijn dan 1 jaar);
  • Grootte van de cattery (de risico's worden groter naarmate er zich meer katten in een huishouding bevinden);
  • Stress (overbevolking, ruzies, zwangerschap/zogen, verhuizen, een nieuwe kat, enz.);
  • Hygiëne;
  • Genetische factoren en toestand van het immuunsysteem.

Helaas bestaat panleukopenie (kattenziekte) nog steeds: Tussen 2003 en 2005 waren er in Frankrijk 186 bekende gevallen. Een uitbraak van deze ziekte vindt normaal plaats in een omgeving waar meerdere katten aanwezig zijn (asielen, verenigingen, dierenwinkels). Het komt zelden voor in catteries (3% van de gevallen) en dat kan vooral worden toegeschreven aan regelmatige vaccinaties en een goede hygiëne. Jonge katten lopen het meeste risico (de helft van de gevallen betreft kittens die jonger zijn dan 3 maanden en 94% van alle gevallen betreft katten die minder dan een jaar oud zijn).

4. Leukemie

Lezing door Pr. Oswald Jarrett, Universiteit van Glasgow

Leukemie komt de laatste 20 jaar veel minder voor, vooral bij raskatten. Prof. Jarrett noemde als voorbeeld de Abessijnen in Groot-Brittannië, waar 35% van de Abessijnen in 1980 positief werd bevonden en 0% in 2000. Dit kan worden toegeschreven aan het herkennen van besmette katten door middel van testen, daarop volgende quarantaine en de ontwikkeling van een vaccin.

Leukemie is vrijwel altijd dodelijk (85% van de positief bevonden katten sterft binnen 3,5 jaar aan lymfklierkanker, leukemie, bloedarmoede enz.). Het wordt doorgegeven via speeksel; nauw contact en het elkaar wassen dragen bij aan de verspreiding van de ziekte. In een gesloten omgeving (waar geen nieuwe kat bij komt) blijft leukemie beperkt. Als een kat positief wordt bevonden, moeten alle katten in de groep worden getest. Positief bevonden katten moeten worden gescheiden van de negatief bevonden katten en allemaal moeten ze 12 weken later opnieuw worden getest (sommigen zijn immuun geworden voor het virus en testen negatief, anderen worden nu misschien positief bevonden), net zo lang totdat de testresultaten stabiel blijven.

Beschikbare vaccins worden verdeeld in verschillende soorten (subunits, dode, recombinant), maar ze zijn allemaal doeltreffend. Onderzoeken in Groot-Brittannië hebben aangetoond dat 75-80% van de kittens erdoor wordt beschermd. Hoewel volwassen katten minder vatbaar zijn voor leukemie dan kittens (een zelfde dosis van het virus besmet 100% van de kittens en 20% van de volwassen katten), hebben zij voordeel bij een vaccinatie als zij in aanraking kunnen komen met katten waarvan de toestand niet bekend is.

Snelle tests die in dierenartsenpraktijken worden uitgevoerd zijn uiterst gevoelig (er zijn weinig vals negatieve uitslagen) maar minder duidelijk (er kunnen zich vals positieve uitslagen voordoen). Als een gezonde kat positief wordt getest, moet de diagnose altijd door middel van een aanvullende test (immunofluorescentie of PCR) worden bevestigd om een vals positieve uitslag uit te sluiten (hoewel vals positieve uitslagen zelden voorkomen bij katten die symptomen vertonen).

5. Binnen afzienbare tijd vaccins tegen FIV (kattenaids) en FIP (Feline Infectieuze Peritonitis)?

Lezing door Pr. Oswald Jarrett, Universiteit van Glasgow.

FIP

Feline enteritis coronavirussen (FeCV) worden verspreid via speeksel en ontlasting. Na voor de eerste keer te zijn blootgesteld aan het virus, blijft 10% van de katten chronisch besmet, 85% is tijdelijk besmet en 5% is immuun voor de besmetting.

Pfizer heeft een vaccin ontwikkeld (Primucell®). Het bestaat uit een verzwakt, temperatuurgevoelig, gemuteerd FeCV dat via de neus wordt toegediend en verkrijgbaar is in weinig landen. Verschillende onderzoeken zijn gedaan om de doeltreffendheid van dit vaccin vast te stellen. Een onderzoek bij 500 katten in een asiel in de Verenigde Staten toonde aan dat FIP bij 0,8% van de gevaccineerde katten voorkwam, terwijl 3,25% van de niet-gevaccineerde katten de ziekte kreeg. Een onderzoek in Zwitserland toonde aan dat het vaccin niet werkte als katten al met FeCV waren besmet voordat zij met het vaccin werden ingeënt. Dit is belangrijk, omdat kittens voornamelijk door hun moeder worden besmet, voordat zij kunnen worden gevaccineerd.

FIV (kattenaids)

Er zijn verschillende experimentele vaccins ontwikkeld. Het probleem met FIV is, dat katten niet genezen van een FIV-besmetting, omdat het in de lymfocyten aanwezig blijft. Een "steriliserende immuniteit" moet worden bereikt, die zeer moeilijk te verkrijgen is.

Op dit moment wordt het meest doeltreffende beschermingsniveau bereikt met vaccins van dode stoffen, zoals Fort Dodge Fel-O-Vax FIV®, gepatenteerd in de Verenigde Staten.

In tegenstelling tot het leukemievirus, dat geen andere variant heeft, zijn er verschillende ondertypes van FIV. Dit vaccin beschermt tegen het B-ondertype, maar is niet werkzaam bij het A-ondertype. Het A-ondertype komt echter het meest voor in de algemene stammen in Europa en is ook de meest kwaadaardige vorm. Een gevaccineerde kat heeft antilichamen tegen FIV, waardoor deze niet van een FIV-positieve kat kan worden onderscheiden, als men gebruik maakt van de normale diagnostische instrumenten. Een mogelijke FIV-besmetting moet worden opgespoord door middel van PCR-tests.

6. Vaccinaties en fibrosarcomen

Lezing door Dr. Anne-Claire Chappuis-Gagnon, Lyon.

Fibrosarcomen worden vaak aangetroffen bij oude katten. Als gevolg van de ontdekking van aluminium in een intrascapulair (tussen de schouderbladen) fibrosarcoom in 1991, werd er een verband gelegd tussen fibrosarcomen en vaccins. Veel fibrosarcomen zijn daardoor omschreven als "vaccingerelateerd". Eigenlijk zou "injectiegerelateerd" een betere term zijn geweest, omdat de vaccinatie zelf geen rol speelt. Ondanks dat er bij meer katten dan honden reacties op een injectie plaatsvinden, moeten fibrosarcomen wel in het juiste perspectief worden geplaatst omdat ze weinig voorkomen - minder dan 0,003%.

Er werden aanbevelingen aan artsen gedaan, o.a. over de plekken waar gevaccineerd moest worden, onderzoeken werden verricht en toonden aan dat, bij gebruik van dezelfde producten, er een sterk onderling verband was met de dierenarts die de injectie had uitgevoerd: in sommige praktijken ontwikkelden katten nooit een fibrosarcoom, waar ze bij andere wel voorkwamen. Persoonlijke gewoontes werden daarom onder de loep genomen (het flesje wel of niet schudden, aantasting van het product door alcohol, enz.). Na verschillende jaren van strijd, wordt tegenwoordig erkend dat hulpstoffen geen invloed van betekenis hebben op de ontwikkeling van fibrosarcomen.

Om de meest bekende risicofactoren uit te schakelen, moet ervoor worden gezorgd dat:

  • Er geen verschillende producten met elkaar worden vermengd in dezelfde injectiespuit;
  • Het te injecteren product de juiste en zelfde samenstelling heeft;
  • Vóór de injectie het vaccin op lichaamstemperatuur is;
  • Niet dezelfde injectiespuit wordt gebruikt als die waarmee het zegel is verbroken.

[1] Juiste antwoorden: 1. FOUT - 2. GOED