Het gebruik van relatief risico van de stamboomanalyse en publieke gezondheidsregisters om paringen te plannen Picture

English Dutch

[Vertaald door Karin Sandbergen.]

Door Jerold S Bell, Tufts Cummings School of Veterinary Medicine.

(Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het "De Gezonde Hond" gedeelte van de AKC Gazette van juli 2002.
Met toestemming herdrukt.)

Fokkers streven naar evenwicht in de selectie voor de positieve aspecten in hun honden en de selectie tegen genetische kwalen. Op dit moment zijn er voor de meeste erfelijke kwalen helaas geen genetische tests voor dragers beschikbaar. Als het gaat om polygene kwalen, of kwalen waarvan de oorzaak van vererving niet bekend is, is de breedte van de normaalverdeling het beste selectiemiddel (zie "Fokstrategieën voor de beheersing van genetische kwalen" in het "De Gezonde Hond" gedeelte van de AKC GAZETTE van november 2001). Zonder tests voor dragers is analyse van het relatief risico in de stamboom het meest objectieve middel om te selecteren tegen recessieve kwalen, gebaseerd op de kennis van bewezen dragers en getroffen honden in de stamboom.

Voor het succesvol gebruik van analyse van het relatief risico in de stamboom is een aangetoonde recessieve manier van vererving nodig, bevestigde diagnoses van de aandoening en geverifieerde stambomen. De beste manier om met deze informatie om te gaan is door middel van voor het publiek toegankelijke gezondheidsregisters die door rasclubs worden gesteund. Veel landelijke rasclubs onderhouden gezondheidsregisters via de Orthopedic Foundation for Animals (OFA, de Orthopedische Dierenstichting), het Institute for Genetic Disease Controle (GDC, het instituut voor de beheersing van genetische aandoeningen, dat nu is samengegaan met OFA), het Canine Health Information Center (CHIC, het informatiecentrum voor de gezondheid van honden), of via hun eigen club of gezondheidsstichting.

Om analyse van het relatief risico succesvol te laten zijn, is kennis van alle getroffen honden of dragers noodzakelijk. Hiervoor is een voor het publiek toegankelijk gezondheidsregister nodig, dat kan bogen op samenwerking en begrip tussen fokkers en dat bevorderlijk is voor het ras. Fokpraktijken veroorzaken geen gebrekkige genen. Niemand wil zieke honden fokken of een genetische aandoening verspreiden. Als fokkers er huiverig voor zijn om getroffen honden op te sporen, dan zal het nut van analyse van het relatief risico beperkt zijn.

Met een enkelvoudig autosomaal recessief genetische aandoening, kan stamboomanalyse gebruikt worden om de relatief risicofactoren voor dragerschap en getroffen dieren te berekenen. Dit zijn de objectieve risicofactoren voor een enkelvoudig autosomaal recessief gen: ouder van getroffen dier (en dus drager) = 100% (kans om drager te zijn); nageslacht van een getroffen dier = 100%; niet getroffen volle broer of zuster met een getroffen dier = 67%; volle broer of zuster met drager = 50%. Vergelijkbare risicofactoren kunnen berekend worden voor x-gerelateerde recessieve aandoeningen.

Soms willen fokkers risicofactoren toevoegen voor elke ouder van bewezen dragers. Slechts een ouder van een drager hoeft het gebrekkige gen door te geven, maar er kan vaak niet worden vastgesteld wie de drager is. Het toewijzen van het dragerrisico aan beide ouders zorgt voor een onjuiste selectieve druk op honden op basis van hun paringen en niet hun bewezen genetische achtergrond. Daarom kan het risico alleen maar worden toegewezen als de ouders van vastgestelde dragers met elkaar worden gepaard.

Het vaststellen van het relatief risico in een stamboom brengt het identificeren van elk dier met een objectief risico van de bovengenoemde categorieën met zich mee en het berekenen van het risico vanaf de verste voorouders in de stamboom tot aan het dier waarvan u het risico wilt vaststellen. Om het risico te berekenen, maakt u gebruik van decimalen (0,50) tegenover het percentage (50%). Van generatie tot generatie, als het risico slechts van een kant komt (de vader of de moeder), is het risico dat het nageslacht loopt, de helft van het risico dat de ouder loopt. Als er een berekenbaar risico van zowel de vader als de moeder is, moeten formules worden gebruikt. Het risico om getroffen te worden is de helft van het dragerrisico van de vader maal de helft van het dragerrisico van de moeder (voorbeeld uit de stamboom: de helft van het dragerrisico van de vader is 0,0625 en de helft van het dragerrisico van de moeder is 0,0838, dus is de kans dat er een getroffen hond wordt voortgebracht 0,0625 x 0,0838 = 0,0052 of 0,52%).

Het berekenen van het dragerrisico hangt ervan af of het bekend is of de hond of voorouder waarvan u het risico berekent, al dan niet getroffen is. Als het niet bekend is of het in de stamboom betreffende dier getroffen is, dan is het dragerrisico de helft van het dragerrisico van de vader plus de helft van dragerrisico van de moeder minus het risico van de getroffen hond. Als we voortborduren op het vorige voorbeeld: 0,0625 x 0,0838 - 0,0052 = 0,1411 of 14,11% kans om een drager te zijn. Als het bekend is dat de hond niet getroffen is, dan is er een ingewikkelder formule: (S + D - (2SD))/(1 - SD), waarbij S = de helft van het dragerrisico van de vader en D = de helft van het dragerrisico van de moeder.

pedigree map

Het doel van analyse van het relatief risico in de stamboom is om paringen onder het gemiddelde van de fokpopulatie te plannen. Op zijn beurt zal dit het gehalte aan dragers in het ras verlagen. Het berekenen en evenredig verdelen van het relatief dragerrisico van fokhonden in de populatie bepaalt het gemiddelde dragerrisico. Het gebruik van de wet van Hardy-Weinberg om het gemiddelde dragerrisico van de populatie vast te stellen (gebaseerd op het percentage aan bewezen getroffen honden), is geen geldige manier. Het kan alleen worden toegepast bij willekeurig gefokte populaties, waar geen selectie van fokdieren plaatsvindt en ieder nageslacht een gelijke kans heeft om de volgende generatie voort te brengen.

Sommige fokkers vinden dat alle honden waarvan het dragerrisico onbekend is, het gemiddelde risico van de fokpopulatie toegekend moeten krijgen, d.w.z. als geschat wordt dat 14% van de populatie drager is, zal elke hond zonder een berekenbaar risico een risico van 14% toegekend krijgen. Dit is een onjuist gebruik van analyse van het relatief risico, omdat fokkers de mogelijkheid zouden verliezen om paringen onder het rasgemiddelde te selecteren.

Als een fokker een geschikte hond met een hoger dan gemiddeld relatief risico heeft, kan deze gepaard worden met een partner met een laag relatief risico. Nageslacht met een lager risico dat geschikter is dan de ouder met het hogere risico moeten de ouder met het hogere risico in het fokprogramma vervangen. Het aantal nakomelingen waarmee gefokt wordt, van ouders met een hoger risico, moet beperkt worden, zodat u de mogelijkheid van verspreiding van een gebrekkig gen in de fokpopulatie vermijdt.

Beoordelingen van het relatief risico houden alleen rekening met de geïdentificeerde dragers en de getroffen dieren in de stamboom. Daarom stellen deze schattingen het minimale risico op basis van de beschikbare informatie vast. Als verdere getroffen familieleden worden vastgesteld in de stamboom, zal het berekende risico stijgen. Stamboomanalyse kan een hond er nooit van vrijwaren een drager te zijn. Als er geen bekend risico achter de hond in de stamboom bekend is, is het relatief risico van de hond niet nihil; het is onbekend.

Analyse van het relatief risico in de stamboom zal selecteren tegen hele hondenfamilies op basis van hun relatie met bekende dragers en getroffen honden. Daarom zal er tegen genetisch gezonde honden geselecteerd worden. Echter, voor fokkers met honden die een hoog risico hebben om drager te zijn en zonder een genetische test, is dit het enige middel dat hen objectief toestaat het risico van hun fokstapel te verlagen en het risico van het voortbrengen van getroffen honden te minimaliseren.

(Dit artikel mag herdrukt worden met schriftelijke toestemming van de auteur. Jerold.Bell@tufts.edu.)