Hoe door het doolhof van genetische tests te raken: uitleg en gebruik Picture

English Dutch

[Vertaald door Karin Sandbergen.]

Door Jerold S Bell, DVM, Clinical Associate Professor of Genetics, Tufts Cummings School of Veterinary Medicine.

(Gepresenteerd op de 5de Tufts Honden- en Kattenfok- en genetica-conferentie, 2011.
Met toestemming herdrukt.)

Genetische testen variëren al naar gelang dat wat ze willen vaststellen met daaruit voortvloeiend de manier waarop ze kunnen worden gebruikt om genetische aandoeningen te bedwingen. Om te snappen hoe we genetische testen kunnen gebruiken, moeten we in staat zijn te begrijpen wat voor soort tests verkrijgbaar zijn, wat ze ons kunnen vertellen en wat hun beperkingen zijn.

Fenotypische tests: Sommige tests beoordelen het fenotype, of wat in het dier gezien kan worden. Dit hoeft niet direct gerelateerd te zijn aan het genotype, of de genen die het gebrek bepalen dat u probeert te bedwingen. Onderzoeken naar staar, auscultatie naar hartruizen, radiografisch onderzoek van heup en elleboog, schildklierprofielen, urineonderzoek naar kristallen of metabolieten, huidbiopsie voor sebaceous adenitis (talgklierontsteking) en waarnemen van gedragskenmerken zijn allemaal tests van het fenotype. De meeste tests van het fenotype identificeren alleen getroffen dieren en niet de dragers van genen die vatbaar zijn voor aandoeningen.

Tests gebaseerd op gekoppelde merkers: Sommige gebrekkige genen kunnen gekoppeld worden aan een genetische merker waarop getest kan worden. Tests gebaseerd op gekoppelde merkers bepalen niet het gebrekkige gen, maar een marker die dicht op het chromosoom ligt. Als er tijdens de voortplanting een uitwisseling plaatsvindt tussen de marker en het gebrekkige gen, zal de marker niet langer gekoppeld zijn aan het gebrekkige gen. Vals positieve en vals negatieve resultaten zullen ontstaan. Vanwege dit fenomeen moeten resultaten van koppelingstesten vergeleken worden met resultaten van andere familieleden om vast te stellen of zij overeenkomen met het bekende genotype van familie. Onder gekoppelde markertests vallen die voor cerebellaire ataxie bij de Italiaanse Spinone en primaire hyperparathyreoïdie bij de Keeshond.

Tests gebaseerd op directe mutaties: Directe gentests zijn er specifiek voor mutaties en zijn een directe meting van het genotype. Ze kunnen zowel getroffen en normale dieren als dragers vaststellen. Deze tests kunnen op elke leeftijd uitgevoerd worden, ongeacht de leeftijd waarop de aandoening zich openbaart. De meeste directe gentests bepalen een mutatie die de oorzaak is van een genetische aandoening. Deze genen zijn 100% penetrant en een genetisch testresultaat van een getroffen dier hangt voor 100% samen met een klinische aandoening. Echter, sommige directe genetische tests stellen een mutatie vast die een verhoogde vatbaarheid voor genetische ziektes veroorzaakt. Deze vatbaarheidsallelen kunnen deel uitmaken van polygene/complex vererfde eigenschappen of de oorzaak zijn van incomplete penetrantie van (aangenomen) enkelvoudige Mendeliaanse overerving van eigenschappen.

Degeneratieve myelopathie wordt beschouwd als een complex (polygeen) vererfde ziekte. Een autosomaal recessief vatbaarheidsgen is ontdekt dat homozygoot (twee abnormale kopieën) is in alle honden die getroffen zijn door DM. Echter, een groot deel van de dieren in deze rassen is homozygoot voor dit gen en wordt niet getroffen. Ze worden als "risicovol" beschouwd, maar genetisch niet getroffen. Bij de Ruwharige fox terriër is er een allelfrequentie van 91% in het ras; echter, bij geen enkele Ruwharige fox terriër is ooit degeneratieve myelopathie vastgesteld. Bij de Boxer krijgt minder dan 0,5% van de honden de ziekte. Bij het testen van boxers voor het DM vatbaarheidsgen, toont de test 39% dragers (aan) en 43% test homozygoot "risicovol" voor het vatbaarheidsgen. Dit is een voorbeeld van een genetische test met lage penetrantie; dit duidt aan dat een homozygote status een slechte voorspeller van een klinische aandoening is. Er zijn nog meer (niet geïdentificeerde) genen die ook aanwezig moeten zijn om klinische DM voort te brengen. Deze test is bruikbaar als de diagnose DM uitgesloten moet worden bij homozygote normale honden en dragers. Echter, het anti-selecteren van 82% ("risicovolle" honden en dragers) in de genenpoel van de Boxer, wanneer men een beslissing neemt om te fokken - als de overgrote meerderheid de aandoening niet produceert - is nadelig voor de genetische variatie van het ras. Gelijkwaardige situaties vinden plaats bij andere rassen, die vatbaar zijn voor DM. Bij deze rassen moet er geen antiselectie plaatsvinden noch moeten fokmogelijkheden gewijzigd worden omdat ze de status van "risicovol" of drager van DM hebben, tenzij bekend is dat naaste (eerste of tweede graad) familieleden klinische degeneratieve myelopathie hebben.

Sommige fokkers vinden dat alle dragers of "risicovolle" honden alleen gepaard moeten worden met honden die homozygoot normaal bevonden zijn. Als echter geëist wordt dat alle paringen worden gedaan met honden behorend tot slechts 18% van de populatie (als we het voorbeeld van de Boxer erbij nemen), zou dat een enorm vertekend beeld van de genenpoel geven en de genetische diversiteit beperken. Dit is niet nodig voor een ziekte die niet vaak voorkomt. Met genetische tests voor gebrekkige genen met een lage penetrantie zou de selectie alleen moeten worden overwogen voor honden in lijnen met klinisch getroffen dieren. Deze aanbeveling zou de frequentie van een klinische aandoening aanzienlijk verlagen, evenals de frequentie van andere allelen die eraan bijdragen.

Andere voorbeelden van aandoeningen met een geringe invloed maar een grote allelenfrequentie zijn cord1 PRA (Cone-rod Dystrofie 1) bij de Engelse Springer Spaniël (42% "risicovol", 38% drager, ~1-2% verspreiding van de aandoening) en de dwergteckel, en rcd4 PRA bij de Gordon - en Ierse Setters. Bij rcd4 PRA ligt de gemiddelde leeftijd van de klinische diagnose van de aandoening zo rond de 10 jaar. Dit is echter de gemiddelde leeftijd waarop klinisch getroffen honden worden herkend, niet de gemiddelde leeftijd waarop alle homozygote honden de aandoening krijgen. De werkelijke gemiddelde "aanvangsleeftijd" van deze ziekte die op late leeftijd wordt opgemerkt, kan in de tienerjaren liggen, wanneer veel honden al lang overleden kunnen zijn. Nu Gordon Setters wereldwijd worden getest, worden er veel honden met normaal zicht ontdekt die homozygoot zijn voor het gebrekkige gen. Met een percentage aan dragers van ongeveer 30% in de kleine Gordon Setter genenpoel, moet selectie tegen het gen noodzakelijkerwijs geleidelijk plaatsvinden om de genetische diversiteit van het ras niet te beperken.

Van andere vatbaarheidsgenen wordt ontdekt dat ze in een grotere frequentie voorkomen bij getroffen dieren, maar niet bij alle getroffen dieren aanwezig zijn. Een voorbeeld is het vatbaarheidsgen voor perianale fistels / anale furunculose bij Duitse Herders. Honden met het vatbaarheidshaplotype (specifieke opeenvolging van 3 DLA genen) hebben een 5.0X verwachtingskans voor de ziekte in tegenstelling tot degenen zonder het haplotype. Deze risicofactor komt voor of het vatbaarheidshaplotype nu heterozygoot of homozygoot is, hoewel homozygote honden de ziekte op jongere leeftijd ontwikkelen. Nog een voorbeeld is de genetische test voor Pug Dog Encephalitis (necrotiserende meningo-encephalitis) een pijnlijke, fatale ziekte, die 1-2% van de mopshonden raakt. Honden die homozygoot zijn voor een vatbaarheidshaplotype hebben een 15.6X verwachtingskans om de ziekte te ontwikkelen, maar honden die heterozygoot zijn voor het vatbaarheidshaplotype lopen geen groter risico.

Gebruik maken van genetische tests

We moeten goed op de hoogte zijn van welke genetische tests er beschikbaar zijn en bij welke dieren ze toegepast moeten worden. Honden van rassen waar de ziekte van Von Willebrand voorkomt, moeten op jonge leeftijd getest worden, zodat maatregelen genomen kunnen worden om overmatig bloeden tijdens een operatie of een verwonding te voorkomen. Hondenrassen die die het risico lopen dat ze drager zijn van de mdr-1 mutatie voor medicijnallergie, moeten op jonge leeftijd getest worden, voordat ze een behandeling met medicijnen krijgen. Bij rassen met een hoog risico moeten individuele dieren genetisch getest worden (of geverifieerde resultaten van de ouders zijn vastgelegd) voor de aankoop. Onder deze rassen bevinden zich de Maine Coon en de Ragdoll voor het autosomaal dominante hypertrofische cardiomyopathie gen, Perzen en Perzische Colourpoints voor de autosomaal dominante polycystische nierziekte (polycystic kidney disease, PKD), Boxers voor aritmogene rechter ventrikel cardiomyopathie en Doberman Pinschers voor verwijde cardiomyopathie.

Het is noodzakelijk dat we de tijdvakken wanneer genetisch testen het meest optimaal is, begrijpen en hun interventie toestaan. Heupen van puppies moeten bij elk inentingsbezoek beklopt worden door middel van een zachtaardige Ortolani procedure en vervolgens bij de castratie, onder narcose. Chirurgische interventie op jonge leeftijd is alleen van belang voor dieren met een aanzienlijke subluxatie voordat ze volgroeid zijn (voor symphysiodese) of de ontwikkeling van artritische veranderingen (voor een bekkenosteotomie). Genetisch testen op vererfde hypothyreoïdie (Hashimoto thyroiditis, ziekte van Hashimoto) is gebaseerd op de aanwezigheid van thyroglobuline auto-antilichamen. Een hond tussen de twee en zes jaar oud met een normaal TgAA-gehalte, gemeten bij twee tests waartussen twee jaar zit, is fenotypisch normaal. Het TgAA-gehalte moet echter niet binnen 2 tot 3 maanden na een vaccinatie gemeten worden, omdat er een tijdelijke iatrogene verhoging kan plaatsvinden tijdens deze periode.

Van de meeste genetische ziektes weten we hoe we ze kunnen voorkomen, of op zijn minst de mogelijkheid kunnen verminderen dat er nageslacht met een genetische aandoening wordt voortgebracht. Dit kan plaatsvinden door de ouders genotypisch te testen (het identificeren van ouders die vatbaarheidsgenen dragen voor een genetische aandoening), fenotypisch testen van de ouders (identificeren van ouders met een genetische aandoening), of ras-analyse (identificatie van het risico op dragers en getroffen dieren, gebaseerd op de kennis van familieleden die drager of getroffen zijn).

Het genetisch verbeteren van katten en honden zal alleen door selectief fokken kunnen plaatsvinden. Inherent aan dit feit is de erkenning dat fokken zonder genetisch te testen onverantwoord en onethisch is. Genetisch testen staat gelijk aan kwaliteitscontrole van de gezondheid. Het is niet langer acceptabel voor een fokker om twee dieren te kiezen en hen aan elkaar te paren zonder acht te slaan op het bedwingen van genetische ziektes. De verantwoordelijkheid voor genetische verbetering ligt niet alleen bij de fokker, maar ook bij rasclubs, dierenartsen en de bevolking in zijn algemeen. Fokkers moeten genetische testen laten uitvoeren op toekomstige fokdieren, voordat ermee gefokt wordt. Rasclubs moeten specifiek rasgebonden gezondheidsproblemen vaststellen, door middel van regelmatige enquêtes over de gezondheid van het ras, het financieren van onderzoek voor ras-specifieke kwalen en het genetisch testen van fokdieren aanbevelen. Dierenartsen moeten toekomstige eigenaren en fokkers adviseren over ras-specifieke gezondheidsproblemen. Zij moeten de noodzakelijke genetische testen aanbieden of eigenaars naar specialisten doorverwijzen (oogartsen, cardiologen etc.), die de tests kunnen uitvoeren. De bevolking in zijn algemeenheid moet kennis opdoen over welke genetische tests er nodig zijn voor de ouders van toekomstige kitten- en puppy-aankopen en hoe de teststatus moet worden geverifieerd.

Het belangrijkste doel van het bedwingen van genetische ziekten is om te voorkomen dat er zieke dieren worden voortgebracht. Het secundaire doel is om de frequentie van dragers van gebrekkige genen in de populatie te verminderen. Tegelijkertijd moeten aanbevelingen de voortzetting van foklijnen toestaan om de genetische diversiteit van de populatie te bewaren. Bij elke nieuwe generatie vragen fokkers "Hoe kan ik mijn lijn voortzetten en verbeteren?". Afgezien van het selecteren op bouw, gedrag en algemene gezondheid, moeten fokkers overwegen hoe zij de frequentie van elke genetische kwaal die in hun ras voorkomt, kunnen verminderen. Er zijn geen antwoorden te geven voor elke situatie. Er zijn echter wel richtlijnen om foklijnen en genetische diversiteit te bewaren, terwijl het risico om dieren voort te brengen die gebrekkige genen hebben of zijn getroffen door genetische kwalen, wordt verminderd.

Autosomaal recessieve kwalen

In het geval van een enkelvoudige autosomaal recessieve kwaal waarvoor een directe genetische test voor dragers beschikbaar is, wordt aanbevolen dieren die geschikt zijn voor de fok te laten testen en slechts diegenen van wie uit de test gebleken is dat zij gezond zijn met elkaar te paren of dragers aan dieren waarvan uit de test is gebleken dat zij gezond zijn. Dit voorkomt dat er ziek nageslacht wordt voortgebracht.

Fokkers zijn de bewakers van het verleden en de toekomst van hun ras. "Berokken bovenal geen schade" is de voornaamste eed van alle medische deskundigen. Genetische tests zijn machtige wapens en hun toepassing kan belangrijke positieve of negatieve veranderingen in de genenpoel van het ras teweegbrengen. Als er eenmaal een genetische test is ontwikkeld die fokkers in staat stelt te bepalen of een dier drager is van een gebrekkig gen, is het aannemelijk dat veel eigenaren eenvoudigweg dragers uitsluiten van de fok. Hoewel dit de menselijke natuur is, moet deze verleiding worden weerstaan. Als een fokker met een dier zou fokken dat uit tests normaal is bevonden voor een genetische aandoening, zou het resultaat "drager" dit niet moeten veranderen. Een directe genetische test zou niet moeten veranderen met WIE er gefokt wordt, maar alleen AAN WIE ZIJ GEPAARD WORDEN. Een gebrekkig gen dat kan worden vastgesteld door middel van een genetische test, uit tienduizenden genen is geen reden om te stoppen met fokken. Een genetische test die wordt gebruikt om de fokkwaliteit en diversiteit te handhaven, moet niet als resultaat hebben dat deze worden beperkt.

We weten dat de meeste dieren enkele ongunstige genen met zich meedragen. Hoe meer genetische tests er worden ontwikkeld, des te groter de kans is dat er een ongewenst gen in een fokdier wordt ontdekt. De geschiedenis heeft geleerd dat fokkers succesvol kunnen zijn in het verminderen van een genetische ziekte die wijdverspreid in het ras aanwezig is door middel van testen en het maken van weloverwogen fokbesluiten. Echter, er zijn ook voorbeelden van rassen die in feite meer problemen ondervonden als gevolg van ongegronde selectie en beperking van hun genenpoel. Onder deze problemen vallen: 1) Het verminderen van de frequentie van de ene ziekte en het toenemen van de frequentie van een andere ziekte door het herhaalde gebruik van mannelijke dieren, waarvan bekend was dat zij vrij waren van het gen dat de eerste aandoening veroorzaakte. 2) Het creëren van knelpunten en het aantasten van de diversiteit door alle dragers van een bepaald gen uit te sluiten van de fok, in plaats van met hen te fokken en hen vervolgens te vervangen. 3) Zich concentreren op de aanwezigheid of afwezigheid van een enkelvoudig gen en niet op de kwaliteit van het hele dier.

Het doel is om het fokdier dat drager is te vervangen door nageslacht dat "normaal" test en dat van dezelfde of zelfs betere kwaliteit is. Overig nageslacht dat als drager getest wordt, moet niet in fokkerijen geplaatst worden, omdat het doel is om de frequentie van het gebrekkige gen in de populatie te verminderen. Als elke fokker dieren die drager zijn, test en vervangt door nageslacht dat "normaal" test, zal het probleem voor het ras over het geheel verminderen, terwijl de diversiteit van de genenpoel niet wordt beperkt.

Het probleem met een enkelvoudige, autosomaal recessieve kwaal waarvoor geen tests voor dragers bestaan, is de voortplanting en verspreiding van niet zichtbare dragers in de genenpoel. Een kwaliteitsdier waarvan bekend wordt dat het drager is van een recessief gen, kan uit de fok gehaald en vervangen worden door een geschikt familielid of eerder geboren nageslacht. De genen van het uit de fok gehaalde dier kunnen derhalve in stand gehouden worden door het geselecteerde familielid, maar het risico van dragerschap wordt gehalveerd. Om de verspreiding van een gebrekkig gen verder te beperken, moet het nageslacht uitsluitend in een beperkt aantal, met grote zorg geplande, paringen gebruikt worden en daarna ook vervangen worden door een of twee geschikte afstammelingen. De rest van het nest moet geplaatst worden in huizen waar niet gefokt wordt. Door dit paringsschema handhaaft u de goede genen van de lijn, vermindert u het risico van dragerschap bij elke nieuwe generatie, en vervangt u en draagt u niet bij aan het algehele risico van dragerschap in de fokpopulatie.

Fokkers moeten het risico van dragerschap van elk individueel dier in hun fokprogramma beoordelen. Een publieke gezondheidsregistratie die wordt gesteund door de rasclub, maakt het voor fokkers gemakkelijker om dit soort zaken te kunnen beoordelen. Een voorbeeld is het programma voor het bedwingen van de genetische ziekte cerebellaire abiotrofie door de Amerikaanse Schotse Terriërclub (http://www.stca.biz/health-registries/ca-registry). Door het gemiddelde risico van dragerschap voor de fokpopulatie vast te stellen, kunnen fokkers een keuze maken voor paringen die een aantoonbaar lager risico hebben dan het rasgemiddelde. Relatief risicobeoordelingen houden alleen rekening met de geïdentificeerde drager en getroffen dieren in de stamboom. Daarom stellen deze ramingen het minimale risico vast, gebaseerd op de beschikbare informatie. Als er verder nog getroffen dieren in de stamboom worden vastgesteld, zal het berekende risico hoger worden. De relatief stamboom risico rekenmodule op de Schotse Terriër website kan gebruikt worden voor elk ras om het risico van drager en aantasting door elke enkelvoudige autosomaal recessieve kwaal, te berekenen.

Als een geschikt fokdier een hoog risico loopt drager te zijn, is het beste advies om dit dier te paren met een dier dat een laag risico loopt. Gebruikmakend van relatief risicobeoordeling als instrument, moeten fokkers fokdieren met een hoger risico vervangen door nageslacht met een lager risico, dat net zo geschikt is als of nog geschikter is dan hun ouders. Een negatief aspect van ras-analyse is dat het selecteert tegen families, ongeacht of een dier de status "normaal" of "drager" heeft. Aan de andere kant staat het een objectieve risicobeoordeling en de voortzetting van lijnen toe, die anders vanwege een hoog risico op dragerschap zouden worden opgegeven.

Autosomaal dominante kwalen

Autosomaal dominant genetische kwalen zijn gewoonlijk makkelijk te bedwingen. Ieder getroffen dier heeft op zijn minst een getroffen ouder, maar er kan verwacht worden dat de helft van het nageslacht van een getroffen dier het gebrekkige gen niet zal hebben. Bij kwalen die de dood of ongemak veroorzaken, is de aanbeveling om niet met getroffen dieren te fokken. Om de volgende generatie van een lijn voort te brengen, kan een "normale" volle broer of zuster van het getroffen dier, een "normaal" naast familielid of de ouder die "normaal" is, worden gebruikt.

Als het gebrekkige gen vaak voorkomt in de genenpoel, kan het uitsluiten van alle getroffen fokdieren binnen een generatie een behoorlijk negatieve impact op de genetische diversiteit hebben. Wanneer een vaak voorkomende autosomaal dominante kwaal in eerste instantie wordt vastgesteld, is het waarschijnlijk nodig om met getroffen, maar geschikte dieren te fokken en deze later te vervangen door geschikt nageslacht, dat als normaal uit de test komt. Dit gebeurde bij het vaststellen van het gen voor polycystische nierziekte (PKD) bij de Pers (38% getroffen), en hypertrofische cardiomyopathie bij de Maine Coon (33% getroffen). Echter, als er enkele generaties voorbij zijn en fokkers de kans hebben gehad om getroffen dieren te vervangen door normale dieren, is het blijven fokken met getroffen dieren onethisch.

Een probleem bij sommige autosomaal dominante kwalen is incomplete penetrantie, en dat sommige dieren met het gebrekkige gen geen tekenen vertonen van de kwaal. Grofweg de helft van hun nageslacht kan echter getroffen zijn. Als er een genetische test beschikbaar is, is dit geen probleem. Anders kunnen ras-analyse en relatief risicobeoordeling vaststellen welke dieren het risico lopen dat ze drager zijn van incompleet penetrante dominante genen.

Geslachtsgebonden kwalen

Voor geslachtsgebonden (ook bekend als x-gerelateerde) recessief gebrekkige genen, waarvoor dragertests bestaan, zouden fokkers dezelfde "fok en vervang" aanbevelingen moeten opvolgen als hierboven in de discussie over autosomaal recessieve kwalen staan omschreven. Als er geen test beschikbaar is, kan het gebrekkige gen worden achterhaald door middel van de stamboom. De selectie van een normaal mannelijk dier voor de fok, zorgt ervoor dat het gebrekkige gen binnen één generatie verdwijnt, ongeacht zijn verwantschap met getroffen familieleden en familieleden die drager zijn. Dragers, getroffen dieren of vrouwelijke dieren die een hoog risico lopen, moeten niet worden gebruikt vanwege het hoge risico dat er getroffen, mannelijk nageslacht wordt voortgebracht. Als een mannelijk dier getroffen is, zou hij het gebrekkige gen van zijn moeder hebben gekregen. Al zijn dochters zouden dragers zijn, maar geen van zijn zonen. Zonder een test voor dragers kunt u relatief risicobeoordeling gebruiken om hem aan een vrouwelijk dier te paren, die een laag risico heeft om drager te zijn. Dit verkleint de kans om getroffen nageslacht voort te brengen, en een geschikte zoon kan als vervanging worden geselecteerd. Zeldzame geslachtsgebonden dominante kwalen worden op dezelfde manier als autosomaal dominante kwalen bedwongen. Het verschil is dat getroffen mannelijke dieren altijd uitsluitend getroffen dochters zullen voortbrengen.

Polygene kwalen / Complexe vererving

Polygene kwalen zijn aandoeningen, die door meer dan één paar genen worden veroorzaakt. Een aantal vatbaarheidsgenen moet samensmelten om over een grens te komen en een getroffen dier voort te brengen. De meeste polygene kwalen hebben geen test voor dragers, maar zij hebben fenotypische tests die getroffen dieren kunnen bepalen. Het bedwingen van polygeen vererfde kwalen houdt in: 1) eigenschappen bepalen die nauwkeuriger genen weergeven waartegen wordt geselecteerd, 2) de standaardisatie van factoren die overlast veroorzaken (zoals de omgeving), die uw selectieve dwang tegen de genen kan beperken, 3) selecteren op zowel breedte als diepte van stamboom.

Bij polygene kwalen geeft het fenotype van het dier niet gelijk zijn genotype weer. Als fenotypisch normale ouders getroffen nageslacht voortbrengen, moet van beiden worden aangenomen dat zij een genetisch aantal vatbaarheidsgenen bij zich dragen, die samen de kwaal hebben veroorzaakt. Fokkers moeten getroffen fenotypen in eigenschappen uitsplitsen, die duidelijker de genen die ze bedwingen, weergeven. Bijvoorbeeld, bij heupdysplasie kunnen daaronder vallen: klinische tekenen van kreupelheid, ondiepe heupgewrichten, subluxatie of het omvormen op basis van een röntgenfoto van een gestrekt been en radiografische afleiding op basis van de PennHIP methode. Als er met een geschikt dier wordt gefokt, maar deze heeft ondiepe heupgewrichten, zou het gepaard moeten worden met een dier met diepe heupgewrichten. U moet selecteren op genoeg genen die de normale ontwikkeling beïnvloeden om zo onder de grens te blijven waar dysplasie wordt ontwikkeld.

De omgeving speelt een rol in hoe polygene kwalen tot uitdrukking komen. Variatie in voeding en omgevingsstress, in het bijzonder tijdens kritieke groeiperioden kunnen de manier waarop sommige vererfde musculoskeletale kwalen tot uiting komen, veranderen. Wat u niet wilt, is de ontwikkeling van toekomstige fokdieren te veel beschermen of benadrukken. Fokkers moeten toekomstige fokdieren evalueren die onder tamelijk gelijke omstandigheden zijn opgegroeid en die niet de manier waarop de genetische ziekte tot uiting komt, maskeert of verandert.

Polygene kwalen vereisen kennis van de getroffen of normale status van volle broers en zussen van toekomstige fokdieren. Dieren waarvan de broers en zussen normaal zijn en waarvan de broers en zussen van hun ouders normaal zijn, hebben de grootste kans een lage genetische last voor de kwaal bij zich te dragen. Deze analyse van de breedte van de stamboom is belangrijker dan normaliteit in de diepte van de stamboom (alleen de ouders en grootouders. Dit is waarom het belangrijk is om zowel huis- als fokdieren uit nesten te laten onderzoeken op polygene kwalen en de resultaten in voor iedereen toegankelijke gezondheidsregisters op te nemen, zoals de zonder winstoogmerk opererende Orthopedic Foundation for Animals (www.offa.org). Resultaten van de breedte van de stamboom kunnen worden bekeken door te klikken op verticale stambomen op de OFA pagina van de betreffende hond.

Getroffen dieren kunnen worden vervangen door een normale broer, zus of ouder, en worden gepaard aan een partner met een lage vatbaarheid. Fokkers kunnen de ouder met het hogere risico vervangen door geschikt nageslacht met een lager risico en het proces nog eens herhalen. In aanvulling daarop moet er toezicht worden gehouden op het nageslacht van fokhonden om te zien wie de kwaal vaker doorgeeft.

Onduidelijke manier van vererving

Voor kwalen met een onbekende manier van vererving of dragertest, moeten fokkers geadviseerd worden om dezelfde controlemethodes te gebruiken als bij polygene kwalen. Dieren met een lage genetische last voor de kwaal moeten voor de fok geselecteerd worden, door middel van de onderzoeksresultaten van eerstegraads familieleden (nestgenoten, ouders en nageslacht). Als er meerdere normale generaties in de breedte van de stamboom zijn, dan kunt u enige zekerheid hebben dat er minder kans is op de aanwezigheid van vatbaarheidsgenen.

Het is afschuwelijk wanneer een genetische kwaal wordt bevestigd. Positieve en praktische adviezen kunnen gegeven worden om de lijnen van de rassen en de genetische diversiteit te behouden en de algehele gezondheid van de rassen te verbeteren. Totale uitroeiing van gebrekkige genen zal waarschijnlijk onmogelijk zijn voor de meeste rassen. Het gebruik van deze richtlijnen kan fokkers ondersteunen in het nemen van objectieve beslissingen voor het bedwingen van genetische ziektes met betrekking tot het fokken, terwijl ze hun foklijnen voortzetten. De individuele fokker kan genetische tests gebruiken om: 1) dragers te bepalen, 2) de gebrekkige genen uit zijn lijnen te fokken en, 3) zich ervan te verzekeren (door te testen) dat het/de gebrekkige gen(en) niet weer wordt of worden ingebracht bij toekomstige paringen. Elke fokker zal zijn eigen mate van vooruitgang boeken, afhankelijk van de frequentie van het/de gebrekkige gen(en) in hun eigen fokdieren en welke gewenste dieren vatbaarheidsgenen dragen.

Dit artikel mag herdrukt worden met schriftelijke toestemming van de auteur: jerold.bell@tufts.edu.