Adviezen voor het fokken

English Czech German Danish French Icelandic Italian Dutch Norwegian Portuguese Swedish

[Vertaald door Karin Sandbergen.]

SMA is een autosomaal, recessieve aandoening. Tot op heden weten we niet wat de omvang van deze ziekte is bij de Maine Coon. Aanvankelijk ging men er van uit dat deze ziekte voorkwam in één lijn, maar de laatste tijd is deze ook in andere lijnen opgemerkt.

Er is een DNA test beschikbaar. Zowel dragers als katten met de aandoening kunnen hiermee worden gediagnosticeerd. We adviseren de volgende procedures voor katten in een fokprogramma:

  • Het wordt sterk aanbevolen katten te laten testen, die een familielid hebben dat drager is of dat de aandoening heeft.
  • Het testen van fokkatten die geen speciaal risico lopen, is ook een goed idee, omdat onlangs dragers zijn opgedoken in lijnen, die voordien niet als risicovol werden beschouwd.
  • Dragers kunnen voor de fok worden gebruikt, maar alleen als zij aan partners worden gekoppeld, die de SMA-mutatie niet hebben en met het besef dat 50% van de nazaten ook drager zullen zijn. Alle kopers van kittens, die drager zijn en van kittens waarvan niet bekend is of ze wel of niet drager zijn uit paringen waarbij beide ouders niet negatief zijn, moeten van de ziekte op de hoogte worden gesteld en van de risico's als er met het kitten wordt gefokt. Heterozygote dragers zullen nooit verschijnselen van de aandoening vertonen, dus kan men denken dat informatie onbelangrijk is voor de koper van het huisdier. Omdat het niet ongebruikelijk is dat kopers van huisdieren later toch het idee opvatten om een nestje te fokken met hun kat, soms zonder contact op te nemen met de fokker, is het belangrijk dat ook de kopers volledig op de hoogte zijn van de aard van de ziekte en de omstandigheden van hun kitten.
  • Katten met de aandoening (waarbij allebei de SMA-genen gebrekkig zijn gebleken) moeten niet voor de fok gebruikt worden.