logo

Verklarende woordenlijst

[Vertaald door Marjan Boonen, cattery Boonland, corrector: Riëtte van Beek, cattery Nidoba.]

Inteelt: Het paren van dieren die dichter aan elkaar verwant zijn dan de gemiddelde verwantschap in het ras. In het algemeen verwijst inteelt naar paringen tussen nauw verwante familieleden, zoals vader en dochter, broer en zus en halfbroer en halfzus. Geplande fokprogramma's gebruiken deze aanpak om de gewenste allellen in hun fokdieren samen te bundelen en om een bepaald "type" of "look" vast te leggen. Het is een proces dat zowel de goede als de slechte kwaliteiten van de fokdieren blootlegt. Als de stam een recessief allel (goed of slecht) draagt, dan brengt inteelt die sneller naar buiten. De gedachtegang hierbij is, dat het blootleggen van het negatieve kenmerk (en het uitsluiten ervan van het fokprogramma) op de lange termijn in het grotere belang van het ras is, hoewel dit op de korte termijn kan resulteren in een groot aantal gebrekkige kittens.

Lijnteelt: Gewoonlijk zijn dit paringen tussen dieren waarbij er gezamenlijke voorouders zijn binnen 4 of 5 generaties en dus meestal minder nauw verwant zijn dan bij inteelt.

Inteeltzwakte: Verlies van vitaliteit, veroorzaakt door de homozygositeit (lees: gelijksoortigheid) van een steeds groter aantal allellen. Paringen tussen verwante katten, generatie op generatie, vergroot de waarschijnlijkheid dat nakomelingen keer op keer identieke allellen vererven. Dit kan resulteren in een dier met een kleinere allel-variëteit. Dit leidt er op zijn beurt weer toe, dat het immuunsysteem minder effectief wordt. Katten kunnen alleen antilichamen aanmaken met de allellen die ze hebben. Hoe kleiner het aantal verschillende allellen, hoe kleiner het aantal antilichamen dat kan worden aangemaakt. De mogelijkheden van een dier om antilichamen aan te maken, wordt drastisch gereduceerd als het zijn genetische diversiteit verliest. In andere woorden: het heeft een kleine genetische variëteit. Er kan een grotere vatbaarheid voor ziekte zijn, met daaraan gekoppeld een langere hersteltijd. Kittens kunnen kleiner zijn, groeien slecht of worden dood geboren. Ook kan de mogelijkheid tot voortplanting beperkt zijn. Inteelt en het effect ervan op het immuunsysteem

Outcross/uitkruisen: Het paren van katten uit verschillende lijnen. Aangehouden inteelt gedurende drie of vier generaties leidt meestal tot het vastleggen van type. Hierna wordt het moeilijk om dat nog verder te verbeteren. Vanaf dit punt kan de vitaliteit van de stam ernstige schade hebben opgelopen. Er kunnen vergrote voortplantingsproblemen zijn ontstaan of een verzwakt immuunsysteem. Veel fokkers vinden het verstandig om nieuw bloed in te brengen. Dit brengt een "outcross nest" en de kittens kunnen een verbeterde gezondheid en kracht vertonen, zodra ze zijn geboren.

Foundationkat: Een foundation kat is een kat waarvan de ouders een bijdrage hebben geleverd aan de genvoorraad, alleen door middel van die betreffende kat. Een voorbeeld: Bridget, ouders: onbekend x onbekend, is een foundationkat. Haar ouders kúnnen via andere katten aan de genvoorraad hebben bijgedragen, maar worden verondersteld dit niet te hebben gedaan. In deze visie voegt een "foundationkat" een relatief unieke genetische variëteit toe aan het ras, in vergelijk met andere katten van het ras. De op deze site vermelde foundationkatten zijn degenen die het Maine Coon ras vormden, vóór het stamboek sloot, in tegenstelling tot de "nieuwe foundationkatten", die worden toegevoegd aan het al bestaande ras. Nieuw foundationbloed inbrengen is een lang en moeilijk proces, waarvoor diverse generaties en registraties nodig zijn. Voorbeeld: een F1 foundationkat is vaak een eerste generatie inheemse Maine Coon zoals die nu en dan vrij voorkomt in Maine of nabijgelegen staten. ACA heeft nog een open stamboek. Als een fokker een kat vindt die veel lijkt op onze raszuivere Maine Coon, kan hij die bij de ACA laten registreren als een F1. De ouders zijn onbekend en worden aldus vastgelegd. De geboortedatum wordt meestal ingeschat. Soms wordt een inheemse MC gevonden op een boerderij. De ouders zijn hiervan zijn dan wel bekend en levend en de geboortedatum is bekend. Van een F1 kat is dus soms wel informatie beschikbaar. Nadat de kat is geregistreerd bij de ACA, vind paring plaats met een andere foundationkat of een MC met een volledige stamboom. Het nest kittens hiervan wordt vervolgens geregistreerd als F2. ACA registreert slechts tot en met F3, daarna worden de nesten geregistreerd bij CFF. CFF neemt geen nesten aan met minder dan een F3 stamboom. Dit sluit dan dus goed aan. TICA en ACFA nemen wel F4's aan. De fokker beslist dus of hij/zij verder gaat bij hen of bij de CFF blijft. Zodra het een F5 betreft, wordt de stamboom geregistreerd bij de CFA, maar het dier mag niet geshowd worden. CFA noemt dat een kat "vastleggen". Een bij de CFA "vastgelegde" kat, wordt in alle andere opzichten als een raszuivere kat beschouwd. De nakomelingen krijgen dan ook een gewone stamboom en hebben alle CFA-rechten. Dit geldt dus voor elke kat met 6 generaties of meer. (# Noot van de vertaler: ACA, Tica + CFF zijn Amerikaanse kattenverenigingen.)

Gen: segment van het DNA. Meestal de plek die de code voor een enkel eiwit draagt. Genen zijn geplaatst op chromosomen. Katten hebben normaliter 19 paar chromosomen.

Locus: Een plaats/plek op een chromosoom. Elk gen hoort bij een locus, maar verschillende genen kunnen bij eenzelfde locus horen.

Allel: Een variant van een gen ( een specifieke opeenvolging). Als 2 allellen van een diploïd individu door afkomst identiek zijn (dwz. dat beide allellen direct afstammen van een enkel allel in een voorouder), worden zulke allellen autozygoot genoemd. Als de allellen niet door afkomst identiek zijn (voor zover bekend), worden ze allozygoot genoemd.

Genotype: De allellen die een individu op een gen draagt. De genetische "samenstelling" van een kat.

Fenotype: Het uiterlijk van de kat.

Haploïd: Individuen die 1 kopie van elk gen dragen.

Diploïd: Individuen die 2 kopieën van elk gen dragen.

Homozygoot: Individu dat twee identieke allellen draagt. (Wordt gezegd voor een bepaald gen).

Heterozygoot: Individu dat twee verschillende allellen draagt.

Homozygositeit: De 2 allellen in een paar zijn hetzelfde; bijvoorbeeld 2 recessieve of 2 dominante.

Heterozygositeit: De 2 allelen in een paar zijn verschillend. Een voorbeeld: een kat draagt voor het gen dat tabby bepaalt, 1 mackerel tabby allel (dominant) en 1 gemarmerd tabby allel (recessief). De kat zal de karakteristieken van het dominante allel tonen, maar kan het recessieve allel doorgeven aan zijn nakomelingen.

Populatie: Een groep dieren die met elkaar paren; demes - gedeeltelijk geïsoleerde ondergroepen.

Genvoorraad (genenpoel): de verzameling van beschikbare allellen die aanwezig zijn bij de voor de fok beschikbare leden van een populatie.

De inteelt coëfficiënt meet de waarschijnlijkheid dat 2 allellen door afstamming identiek zijn (autozygoot). Het is een meting van de proportie van homozygote genen, ontstaan door de relatie tussen de ouders. In andere woorden; het is het waarschijnlijkheidspercentage dat een bepaald gen homozygoot is, ontstaan door de relatie tussen de ouders. 100% Zou betekenen dat de kat voor elk gen homozygoot is. Met andere woorden: voor elk allel dat de kat van zijn moeder erfde, erfde hij van zijn vader hetzelfde allel. Dit ontstaat als de vader en de moeder nauw verwant zijn. Een inteeltpercentage van 0% betekent dat de ouders geheel niet verwant zijn. Met andere woorden: geen enkel gen is autozygoot. Er zullen wel genen homozygoot zijn, maar dan zijn de beide allelen afkomstig van verschillende voorouders en er bestaat geen enkele relatie tussen de ouders; de ouders zijn niet verwant. Genen kunnen wel per ongeluk homozygoot zijn. Enkele voorbeelden:

  • Als een kat paart met een zus/broer: 25 %
  • Als een kat paart met een ouder: 25 %
  • Als een kat paart met een halfzus/halfbroer: 12.5 %
  • Als een kat paart met een grootouder: 12.5 %
  • Als een kat paart met een neef/nicht: 6.25 %