logo

Tanstaafl Cattery

[Vertaald door Anneke Kuys, cattery Patchwork.]

door Beth Hicks


Beth

Beth tijdens het keuren in Japan, November 1998

Wist u dat wanneer er een profiel van je cattery in MCI wordt geplaatst je een lijst met wel 32 vragen om te beantwoorden toegestuurd krijgt? De eerste vraag was een verzoek om wat persoonlijke gegevens als achtergrondinformatie. Mijn eerste gedachte was: "Zou ik mijn leeftijd noemen?" Ach, eigenlijk vind ik dat geen bezwaar: ik ben 49 jaar. Ik ben geboren in Macon, (Georgia), heb daar 24 jaar gewoond en 25 jaar geleden ben ik verhuisd naar Memphis (Tenessee). Ik ben werkzaam in de reclamebranche, waarbij ik de kontakten onderhoud met de media en o.a. zorg voor het bestellen van tijd voor radio commercials en het opzetten van reclamecampagnes voor klanten. Ik ben gescheiden en heb een zoon van 17 jaar.

Voordat ik aan Maine Coons begon had ik nog nooit raskatten gehad. Ik ben opgegroeid op het platteland waar we altijd 3 of 4 huiskatten hadden. Er zijn dus wel altijd katten in mijn leven geweest maar dit waren natuurlijk katten die naar believen binnen of buiten liepen. Mijn moeder, die nu 80 is, heeft er nog steeds 3. Toen ik trouwde wilde ik natuurlijk ook een kat van ons zelf en we vonden een langharig browntabby kitten bij de vijver in ons dorp. Toen Nuisance (Lastpak) een jaar oud was nam Mike een katten blad, Cats Magazine, mee naar huis waarin silhouetten stonden van diverse rassen. Nuisance leek sprekend op die van een Maine Coon, dus schreven we naar de MCBFA (Maine Coon Breeders and Fanciers Association) voor informatie.

In die tijd kon je een kat met onbekende afkomst inschrijven op een ACFA show. Dan keken er 3 keurmeesters naar en als ze het er over eens waren dat hij op een Maine Coon leek dan kon je hem als zodanig registreren en showen. (Een beetje vergelijkbaar hier met de nieuwelingenklasse.) Het resultaat was dat we Nuisance inschreven voor een show in Savannah (Georgia). We waren nog NOOIT naar een kattenshow geweest! Dat was voor iedereen volkomen duidelijk toen we in de rij voor de keuring door de dierenarts stonden met onze kat in een kartonnen draagbox van de dierenarts waarop als tekst stond, "Ik voel me al een stuk beter. Dank u!" Gelukkig was iedereen erg vriendelijk en behulpzaam voor deze nieuwelingen. Het is soms wel moeilijk te herinneren maar ik probeer me altijd die show voor de geest te halen en beginnende exposanten diezelfde hulp te geven die ik destijds gekregen heb. De eerste Tanstaafl Maine Coon was dus een gecastreerde straatkat die erg veel op een Maine Coon leek, een zogenaamde Wannabee. Maar deze Wannabee is wel de aanleiding geweest dat we ons gingen interesseren voor Maine Coons.

Mijn catterynaam dankt zijn ontstaan aan een van mijn favoriete science fiction verhalen "The moon is a harsh mistress" door Robert Heinlein. In dat boek gebruikte hij het woord Tanstaafl wat een afkorting is van "There Ain't No Such Thing As A Free Lunch". Met andere woorden: Niets in het leven is gratis. Met deze stelling ben ik het volkomen eens: op de een of andere manier moet je altijd overal voor betalen!

In 1972 hield Connie Condit voor MCBFA het secretariaat van de liefhebbers bij. Ze woonde in Columbus (Georgia) dus we besloten om haar een bezoek te brengen. Daar ontmoetten we niet alleen Heidi, de Duitse Herder van Connie, maar ook Bridgett Katt, Andy Katt, Henry Sayward, Seth Parker en Molly Stark. In januari 1973 kregen we Heidi Ho's Josie of Tanstaafl, een 3e generatie schildpadtabby poes.

Ons eerste nest van Josie en Henry Sayward werd geboren in 1974. Ruth, een poes uit dat nest, werd gedekt door Sundar Moses, een zoon van Dauphin de France of Tati Tan. Uit die kruising kwam Susie Q. In 1975 kochten we Nantiss Ian McTabby, die zowel aan vaders als aan moeders kant Dauphin als voorouder had. Waarom? De Heidi Ho katten waren vrij groot maar het hoofdtype was nogal grof en van sommige poezen was de boning wat aan de lichte kant. Ian McTabby had een prachtig type Tati Tan hoofd en massieve boning, maar was qua formaat wat compact. Ik wilde zowel het Tati Tan hoofdtype als het formaat van Heidi Ho. Daarom kruisten we Ian met Susie Q. Ik kreeg wat ik wilde in het 2e nest: Tanstaafl's Polly Adeline of Heidi Ho, geboren in november 1977. Ze had het hoofdtype maar met zoveel Tati Tan achter haar was ze weer aan de verliezende kant qua grootte. Het was dus tijd om weer terug te gaan naar Heidi Ho voor de grootte en maar hopen dat ze ingeteeld genoeg was om haar hoofd type door te geven. Een van de vragen die gesteld werd was of een van mijn katten van invloed was geweest op andere fokprogramma's. Vorig jaar bleek uit een van de Maine Coon Databases met 24.000 katten dat bij 16.000 daarvan Polly Adeline ergens als voorouder hadden! Dat is niet automatisch een goeie zaak, maar Polly had duidelijk een grote invloed!

Uit de dezelfde verpaaring als Polly Adeline kwam Tanstaafl's Isaiah of the Maine Place. Hij werd geshowd en deed het bijzonder goed. Hij had een heel gemoedelijk karakter. Hij raakte los op een show en zijn eigenaar Pat deed er 20 minuten over voordat ze hem weer te pakken kreeg omdat hij helemaal niet bang of geschrokken was. Hij stond in het midden van een gangpad te wachten totdat je dicht bij hem was en nam dan de kuierlatten! Isaiah vermaakte zich prima met het spel "pak me dan, als je kan".


Tanstaafl Molly Brown

Tanstaafl Molly Brown
(die eigenlijk helemaal niet op deze show wilde zijn!)

Heidi Ho Sonkey Bill en Tanstaafl Polly Adeline produceerden de katten die ook wel de "Clones" genoemd worden. Deze verpaaring werd nog 5 keer herhaald en leverde een totaal van 29 kittens op met deze ouders die geboren werden in periode juli 1979 tot november 1982. (In de USA kent men geen beperkingen aan het aantal nesten per poes per jaar.) 15 van deze kittens, inclusief Tanstaafl Molly Brown, werden in andere fokprogramma's opgenomen. Omdat ik niet steeds met Polly van Memphis naar Denver wilde reizen voor iedere dekking had ik een contract met Connie waarin stond dat wanneer er de showkwaliteit browntabby poes in zat, die ik graag wilde, het nest onder de catterynaam Tanstaafl geregistreerd zou worden.

De naam "clone" werd gegeven aan de katten uit de verpaaring van april 1982. Er was een grote TICA show in New York. Lynne en ik waren er, Bunty Washburn (Mtkittery), Carol Pedley (Le Beau Minu), Mary Buckmaster (Mary B) en nog een heleboel andere fokkers. Zowel Molly Brown (een browntabby) als Mary's Heidi Ho Lady Arwen (een silver mackeral tabby) werden Supreme Grand Champion op die show. We zaten allemaal in een hotel kamer die avond om Connie op te bellen en het nieuws te vertellen. Toen Connie aan de telefoon was zei iemand, "Zeg maar tegen Connie dat we haar door hebben, dat ze deze katten aan het klonen is en ze in verschillende kleuren verft"!


Tanstaafl Druid of Seelieshire

SGC Tanstaafl Druid of Seelieshire,
Beste MC, derde Beste Internationale Kat, TICA 1984

Van 1974 tot 1985 heeft cattery Tanstaafl 38 nesten gefokt. De allerbeste uit die periode waren de 3 nesten met een totaal van 10 kittens die we kregen uit de combinatie Mt. Kittery Schoodic x Tanstaafl's Molly Brown. Molly was een "clone" met niet zo'n wilde uitdrukking (van mij hoefde dat ook niet zo) en Schoodic, een heel warme browntabby, had een heel vriendelijke ouderwetse uitdrukking. Nu ik achteraf deze gegevens voor dit artikel opgezocht heb realiseer ik me dat deze 10 kittens allemaal aan fokkers zijn verkocht. De topkat hieruit was Tanstaafl's Druid of Seelieshire, die Beste Maine Coon en derde Beste Internationale Kat in TICA was in het showseizoen van '83-'84.

We showden in die tijd wel maar liepen hiervoor niet stad en land af om in de hoogste regionen te komen. Gedurende de 70tiger jaren waren ze nog bezig om de Maine Coon bij alle verenigingen erkend te krijgen. Zelfs in de verenigingen waar ze wel erkend waren werd door veel keurmeesters en exposanten wat minachtend gekeken naar deze "boerderijkatten". Ik ben naar veel shows geweest waar maar 2 Maine Coons waren: namelijk de 2 die ik meegenomen had en desondanks ging ik met lege handen naar huis!

In 1975 was ik keurmeester geworden bij een van de kleinere verenigingen, de eerste Maine Coonfokker die keurmeester werd. Toen TICA in 1979 werd opgericht verhuisde ik daar naar toe. Inmiddels ben ik al 25 jaar keurmeester, waarvan 21 jaar voor TICA. De Maine Coons zijn in die periode heel ver gekomen en ik heb dit met veel genoegen ervaren. Onze Maine Coons zijn geen "boerderijkatten" meer!


Boven: QGC/RW Hoosiercoon Kari of Tanstaafl.
Onder: Heidi Ho Camille of Calicoon met
Calicoon Prince Valiant, 4 weken oud,
gefotografeerd in 1991.

Als TICA allround keurmeester reis ik erg veel. Gemiddeld doe ik zo'n 15 tot 20 shows per jaar (de meeste Amerikaanse shows zijn 2 dagen) en behalve in Amerika heb ik ook in Japan en Duitsland gekeurd. Keuren kan heel vermoeiend zijn en voor veel spanningen zorgen maar daarnaast is het ook stimulerend en geeft het een hele boel plezier. Op het moment dat ik het niet leuk meer zou vinden om met al deze katten om te gaan zou ik onmiddellijk stoppen met keuren. Wanneer je veel keurt blijft er weinig tijd over om met je eigen katten te gaan showen. Je kunt immers geen kat showen op de shows waar je ook keurmeester bent. Soms horen we exposanten klagen dat de katten van de keurmeesters altijd winnen. Inderdaad, iedere kat die door een keurmeester geshowd wordt zal het over het algemeen goed doen, maar de reden daarvoor is niet omdat die door de keurmeester geshowd wordt. Het komt doordat je als keurmeester een reputatie hebt op te houden en je je niet kunt veroorloven om met een kat, die geen show kwaliteit heeft, te verschijnen. Van een keurmeester mag je verwachten dat die kan beoordelen welke kat showkwaliteit heeft en weet hoe die verzorgd moet worden zodat hij er tiptop uit ziet in de ring.

In mijn fokprogramma let ik niet noodzakelijkerwijs op dezelfde dingen als waar ik op zou letten bij een showkat. Het doel van een fokprogramma is om katten te combineren die samen constant showkwaliteit katten produceren. Om dat te kunnen doen moet je de lijnen kennen en de fouten van de katten waarmee je werkt compenseren. Zelfs 2 showkwaliteit katten kunnen een nest produceren dat alleen maar huisdier kwaliteit heeft.

Veel fokkers schijnen niet te begrijpen dat wanneer we aan het keuren zijn verschillende "looks" zien bij alle rassen, niet alleen bij Maine Coons. Iedere lijn heeft de neiging om net weer even een andere look te produceren en daar is niets mis mee! Ondanks al die verschillen kunnen de katten toch beantwoorden aan de standaard. Op dat punt gaat de persoonlijke voorkeur van de keurmeester of de fokker een rol spelen. Ik heb zelf de neiging om te denken dat mijn eigen voorkeur het gemiddelde is. Ik hou zelf niet zo van de erg wilde of "feral" look maar ook niet van het ouderwetse type met wat kortere snuit en kleine oortjes. Ik hou van een look die je zowel in TICA als CFA geshowd kan worden en het in beide organisaties ook goed doet.

Ik heb er voor gekozen om niet te werken met foundation Maine Coons. Ik heb wel waardering voor de fokkers die dat willen en daar veel tijd en energie in steken om te starten met foundation katten met als doel uiteindelijk showkwaliteit katten te produceren. Ik ben een voorstander van lijnteelt. Dat is de enige manier om een goed type vast te leggen en dit voortdurend te krijgen. De sleutel is werken met schone lijnen. Inderdaad heeft lijnteelt als resultaat dat recessieve genen opduiken, maar dat is een voordeel. Dan weet je wat er aanwezig is en kun je er aan werken om de negatieve genen daaruit te elimineren. Wanneer je 2 volkomen outcrosskatten met elkaar kruist kun je dezelfde recessieve genen krijgen zonder een goed type!

Wanneer ik beoordeel of een kitten showkwaliteit is let ik in eerste instantie op het type. Daarna komt het karakter van het kitten. Onlangs verkocht ik een kater als huisdier ondanks het feit dat hij het heel goed zou kunnen doen op shows als kastraat. (In Amerika wordt veel meer met kastraten geshowd dan hier.) Hij was verlegen en bang voor vreemden en onbekende situaties. Hij zou zich niet gelukkig gevoeld hebben als showkat. Als keurmeester zie ik teveel katten die thuis in hun eigen omgeving prachtig zijn maar er niet van houden om op shows te zijn. Tanstaafl's Molly Brown was zo'n kat. Daarom showde ik haar alleen maar tot ze haar Supreme titel had gehaald en daarna niet meer.

Het overgrote deel van mijn kittens verkoop ik als huisdier maar ik verkoop ook wel aan fokkers. Jaren terug was het makkelijker om aan fokkers te verkopen omdat we elkaar allemaal kenden. Wanneer iemand mij benadert om een fokkat informeer ik eens of ze bij iemand bekend zijn en wat voor mensen het zijn. Ik geef er de voorkeur aan om te verkopen aan mensen voor wie op de eerste plaats staat dat dit huisdieren zijn. Met de verkoop van dekkaters ben ik bijzonder voorzichtig omdat deze vaak voor een groot gedeelte van de tijd opgesloten/apart gehouden moeten worden. Daarbij probeer ik er ook achter te komen welke uiterlijke kenmerken de fokker wil verbeteren, zodat ik er zeker van kan zijn dat het kitten een goede aanvulling op hun katten zal zijn. Het leukste vind ik nog wanneer mensen contact opnemen die 15 tot 20 jaar geleden een kat bij mij hebben gekocht en opnieuw een kitten bij mij willen kopen omdat hun eerste Tanstaafl kat is overleden. Dat geeft me een goed gevoel.


Tanstaafl Copper Penny and Tanstaafl Memphis Amity

SGC Tanstaafl Copper Penny of SSL &
SGC Tanstaafl Memphis Amity of SSL,
de recente Tanstaafl/Calicoon samenwerking.
Vader: SGC Calicoon's Sherman,
Moeder: QGC/RW Hoosiercoon Kari of Tanstaafl.

Ja ik verkoop ook buiten de USA. Van de 10 Tanstaafl kittens, die sinds 1999 geboren zijn, bevinden zich 2 in Duitsland en 1 in Zwitserland. Deze zijn allemaal als showkwaliteit katten verkocht en de oudste 2 zijn al Supreme Grand Champion en zullen waarschijnlijk eindigen bij de Regional Winners van Noord Europa. Tot mijn grote plezier was Bettina Pelkman van cattery SSL bereid om Copper en Emma naar mij terug te sturen zodat ik ze beiden hier kon showen. Ik had al 10 jaar niet meer geshowd! Het was een heerlijke tijd. Vooral toen ik Copper op ging halen bij een finale en de keurmeester, die me al 15 jaar kende, me opmerkte en vroeg: "Waar heb je die vandaan?" Het deed me bijzonder veel genoegen dat ik kon zeggen," Ik heb deze kat niet gekocht, ik heb hem zelf gefokt!" De keurmeester keek me aan en zei, "Je hebt het nog steeds niet verleert, wel!"

Calicoon Cattery

door Lynne Sherer


Lynne

Lynne (midden) tijdens een TICA Show in Hürth,
Duitsland, Oktober 1999

Ik ben gediplomeerd verpleegster en werk in een ziekenhuis op de afdeling cardiologie. Ik ben al enige jaren gescheiden en heb 2 volwassen zoons. Opgegroeid ben ik in Wisconsin, achtereenvolgens heb ik gewoond in Illinois, in Californië (13 jaar), weer terug naar Illinois 14 jaar en sinds vorig jaar in Memphis (samen met Beth). Ik ben begonnen met fokken toen ik in Californië woonde, vandaar de catterynaam. Mensen denken vaak dat ik calico's (Amerikaanse benaming voor effen lapjeskat met heel veel wit) fok, maar dat is het dus niet. Calicoon is een combinatie van Californië en Coon.

Ik heb mijn hele leven al katten gehad. Als kind bracht ik regelmatig zwerfkatjes mee naar huis. Maar van mijn vader mocht ik er maar maximaal drie tegelijkertijd houden! Naast Maine Coons, heb ik ook een Oosterse Korthaar gehad, een foundation colorpoint Pers en verschillende Britse Kortharen waarmee ik een nestje Britse Korthaar kittens heb gefokt. De colorpoint Pers was mijn eerste kat met stamboom, maar ze was niet goed genoeg om op shows uitgebracht te worden. Mijn eerste showkatten waren Maine Coons.

Ik hoorde voor het eerste over Maine Coons in een artikel in Cat Fancy Magazine in 1971, waarbij tevens het adres van MCBFA was vermeld. In 1972 werd ik liefhebber lid en in 1973 gingen mijn man en ik op vakantie in de buurt van de woonplaats van een Maine Coon fokker. Dit was Judy Ancell van Yankee Cats in Boise (Idaho) en ik maakte een afspraak om bij haar op bezoek te gaan. We kampeerden al met de huiskat, de colorpoint Pers en de Ierse Setter, dus een bezoek aan een cattery was niet zo vreemd! Ik werd verliefd op een 6 maanden oude rood gestreepte kater, kocht hem meteen en stopte hem bij de menagerie die al in de auto zat. Het was Yankee Cats Rufus. Later kocht ik nog een witte poes bij Judy en zij heette Yankee Cats Queen Victoria Ik showde Rufus tijdens het showseizoen 1973-1974 bij ACFA waarvoor ik nog een speciale kleurenprijs won, waarvan ik het bestaan pas jaren later hoorde!


Cacomistle Rocky Raccoon O Calicoon

Cacomistle Rocky Raccoon Of
Calicoon, behaalde de ACFA Grand titel
in March 1978, 9de open MC Grand
in Amerika

Helaas heb ik mijn eerste twee Maine Coons verloren aan leukemie. We wisten toen nog niet veel over deze ziekte en er was pas jaren later een vaccinatie voor. Nadat ik 1 jaar gewacht had en mijn andere katten 4 keer getest had om zeker te zijn dat zij niet aangestoken waren, kocht ik weer een stel in 1975. De poes heette Belwitch Buffy of Calicoon en was een nicht van mijn overleden kat Rufus. Haar vader was Yankee's Von Richthoven of Tanstaafl en de eigenaar daarvan was Beth Hicks. De kater heette Cacomistle Rocky Raccoon of Calicoon en was gefokt door Lea Schmidt, ook uit Memphis. Deze twee katten waren het begin van mijn fokprogramma. Ik combineerde ze verschillende keren en hield er een schildpadtabby met wit poes uit (Calicoon Sweet Sue) die ik dan weer kruiste met een kater buiten mijn cattery. Ik liet Rocky ook een 'vreemde' poes dekken en hield daar SGC Spavinaw Blu-Macks of Calicoon uit als mijn tweede dekkater.

Toen ik in 1973 begon met showen was was de ACFA de enige vereniging in mijn omgeving waarbij Maine Coons een kampioenstitel konden krijgen. Mijn eerste kat die de grand champion werd was Rocky, en zijn zoon, DGC Calicoon's Sam Francisco of Calicoon, werd MCBFA Kitten van het Jaar in 1977-1978. Een andere zoon, Spavinaw Blu-Macks of Calicoon, was MCBFA Kitten van het Jaar in 1978-79 en de eerste blauwe Maine Coon die de grand champion titel won. SGC/lnt. Winner/OS Calicoon Hooligan was èèn van de top 20 katten in TICA in 1984 en de eerste rode Maine Coon die een top 20 plaats van alle verenigingen behaalde. Gedurende de jaren had ik een aantal winnaars, waaronder: Calicoon Charliemaine (Int. Alter winner twice), SGC Calicoon Captain Clifton Curtis (Int. top 20 winner), SGC Prince Valiant, SG Alter Calicoon Seahawk Helse en SCG/RW Calicoon Sherman.


Calicoon Hooligan

SGC/IW/OS Calicoon Hooligan in 1984,
op de leeftijd van 18 maanden. 2de Beste MC,
10de Beste Internationale Kat, TICA 1984.

Soms werk ik samen met andere fokkers maar ik geef alleen buitendekkingen op beperkte basis. Toen ik in Californië woonde stonden een aantal katten zowel op naam van mij als van mijn vriendin Margaret Rice, die mij hielp met showen en fokken. Ze had zelf geen cattery maar was mede-eigenaar van een aantal van mijn katten zoals Calicoon Hooligan. Dit gaf mij de gelegenheid om meer fokkatten aan te houden dan ik normaliter in staat zou zijn. Het is moeilijk om te zeggen hoeveel van mijn katten in andermans stambomen zitten omdat ik al zo lang fok. Ik weet dat Blu-Macks in de database duizenden keren voorkomt. Mijn huidige dekkater Calicoon Sherman heeft zelf ongeveer 40 nesten voortgebracht.

Ik denk dat er van mij verondersteld wordt dat ik zal zeggen dat ik de voorkeur geef aan de TICA look, die door sommige mensen als feral (wild) omschreven wordt. Ik hou echter niet van een extreem wilde look bij een kat maar zie liever een gematigd type met een ongelijke shaggy vacht. Graag zou ik een wat meer universele look bij ons ras zien zodat er niet zoveel verschil is in de interpretatie van de standaard bij de diverse verenigingen. Bij andere rassen, bijvoorbeeld de Perzen, zal een goede kat bij iedere vereniging hoog scoren. Bij ons ras is helaas nog steeds een groot verschil in type.


Jake and Sherman

Jake en Sherman op jonge leeftijd

Op dit moment ben ik vice-voorzitter van MCBFA en heb daar diverse andere functies vervuld zoals Regionaal Director, Scorer en twee keer voorzitter. Ik ben lid van het TICA Maine Coon Ras commissie. (N.B. een scorer hield vroeger de uitslagen voor een overall beste Maine Coonverkiezing bij, onafhankelijk van de diverse verenigingen.) Het enige andere huisdier dat ik heb is Jake, een hele grote Golden Retreiver, die denkt dat hij een kat is en dol op kittens is! Ze gaan op zijn rug zitten, wanneer ze klein zijn zelfs met meerderen. Dat is leuk wanneer kittens naar nieuwe tehuizen gaan waar ook een hond aanwezig is; ze passen zich heel makkelijk aan en zijn niet bang.

Ik ben TICA Allround keurmeester en keur sinds 1986. Mijn kattenhobby heeft mij de gelegenheid gegeven om veel plaatsen te bezoeken waar ik anders nooit geweest zou zijn. Door het reizen en E-mail heb ik ook een heleboel fokkers over de hele wereld leren kennen. Om bij te blijven als keurmeester denk ik dat je minimaal 1 keer per maand moet keuren, maar de meeste keurmeesters keuren vaker. Zelf vind ik het prettig om 2 keer per maand te keuren maar er zijn uitzonderingen.

Bij een showkat let ik niet op dezelfde dingen als waar ik bij een fokkat op let. In de showring kijk je naar een kat die de geschreven standaard het meest benadert, terwijl bij een fokprogramma je doel is om een partner te kiezen die het beste zou passen bij de kat met wie je wilt fokken om een kat te kunnen produceren die die standaard het meest benadert. Ik heb in de showring vaak katten gezien met een bijzonder kenmerk zoals hooggeplaatste oren maar dan zeer extreem. Gezien de standaard staan deze oren te hoog of te dicht bij elkaar voor een showkat, maar als fokkat zou zo'n kat wonderen kunnen bij doen bij een partner bij wie deze oren juist te ver uit elkaar staan. Of misschien is de kin te dominant om een evenwichtige showkat te kunnen zijn, maar als fokkat zou deze kat zeer geschikt zijn om de kittens van een kat met een zwakke kin te verbeteren.

Ik sta positief tegenover fokken met foundation lijnen. Ik denk dat het belangrijk is om nieuw bloed in te brengen in de genenpoel. Maar het fokken met foundationlijnen bestaat niet uit het simpel kruisen van 2 katten die op Maine Coons lijken. Het fokken met foundationlijnen moet gedaan worden door iemand die voldoende tijd, aandacht, het noodzakelijke testen en evalueren van het proces kan besteden. Katten die in een foundationfokprogramma gebruikt worden moeten ook getest worden op HCM en andere mogelijke aandoeningen en daarna een aantal generaties gevolgd worden. Dit kost veel tijd, geld en ruimte en is niet eenvoudig.


Boven: SGC Spavinaw Blu-Macks of Calicoon. Eerste
blauwe tabby met Grand titel in TICA, is 18 jaar oud
geworden. Midden: DGC Calicoon's Sam Fransisco
of Friscoon. Behaalde de Grand titel in Maart 1979. Eigenaar:
Pat Herrmann. Onder: SGC Calicoon's Sherman.

Ik sta ook positief tegenover lijnteelt tot op zekere hoogte. Van wat ik gelezen en uit discussies met genetici geleerd heb is dit de methode om type/kenmerken vast te leggen in een dier. Wanneer je twee totaal onverwante dieren met elkaar kruist, zal het nageslacht zeer verschillend in type zijn. Je kunt er een paar goeie kittens mee krijgen maar je kunt ook voor het overgrote deel kittens krijgen die de slechtste kenmerken van beide ouders meegekregen hebben. Ik weet dat een aantal fokkers dat niet met mij eens is, maar het is mijn persoonlijke mening gebaseerd op grondig onderzoek over dit onderwerp. Omdat ik slechts een paar nestjes per jaar fok verkoop ik maar af en toe een kat voor de fok. Buiten de USA heb ik katten verkocht aan Japan, Duitsland, Frankrijk, Engeland en Zwitserland.

Bij de ontwikkeling van de kittens let ik op het type en de grootte omdat beiden noodzakelijk zijn om uit te groeien tot een kat die volledig in balans is. Dit betekent niet dat ik kies voor het grootste kitten, maar het kleinste kitten zou ook geen goede keuze zijn. Ik moet altijd lachen om mensen die zeggen dat ze showkwaliteit kittens hebben die 3-4 weken oud zijn. Ik wacht zelf op zijn minst 3-4 maanden om die beslissing te nemen en dan nog zijn er keren geweest dat ik me op die leeftijd vergist heb! De beste manier om te beoordelen hoe je kittens uit zullen groeien is door de ouders en hun lijnen goed te kennen. Nadat ik een combinatie verschillende keren herhaald heb, wordt het natuurlijk makkelijker om het type van een kitten op jeugdige leeftijd te beoordelen. Mijn lijnen hebben de neiging om zich langzaam te ontwikkelen waardoor het showen van de kittens en het beoordelen van de kwaliteit bemoeilijkt wordt.


Working Together


Lynne and Beth

Beth and Lynne at the Dallas Annual,
September 1982. L to R: Tanstaafl Merris
Lee, Heidi Ho Canth of Tanstaafl,
Tanstaafl Ramoth of Calicoon.

Lynne and Beth have been friends for 25 years, meeting for the first time when Lynne bought Belwitch's Buffy of Calicoon, sired by Beth's Yankee's Von Richtofen of Tanstaafl. When both were divorced, they bought the house together - after a couple of years' discussions since, as Beth says, 'we didn't want to ruin a very good friendship!' The separate cattery names will be maintained with, currently, three Calicoon and two Tanstaafl females but they will keep only one stud cat. Right now, that is Calicoon Sherman, whose pedigree goes back to Polly Adeline, so that the Tanstaafl lines are also strong in him. Lynne says 'we have been Calicoon and Tanstaafl for too long to give up our cattery names to a merger. We also have some differing ideas about breeding, which neither of us would want to change.' Beth tends toward brown classic tabby/torbie, while Lynne enjoys breeding for other colours, including blue tabby, blue silver, etc. Their next stud cat will probably be co-owned, though, since it will probably be from Beth's female and Lynne's Sherman.

Most of their retired breeders are placed as pets but they currently have one retired spay and, of course, there are always some very special cats, like Sherman, who will be a permanent resident when he retires. Beth and Lynne are agreed that the total number of cats will be kept small since, with care, it is not necessary to have a large number of cats to produce quality kittens and all the cats are pets first, deserving time and attention from Lynne and Beth. As Beth says 'Too many become work, instead of fun'.


kitten buyer

Kitten buyer in the sunroom
- tough decision!

In Lynne's previous home, she had traditional cattery facilities, with tiled walls and floors and several cages for occasional use, while Beth has always raised her cats as part of the household. They bought their current house because of its large sunroom, where the mothers with litter-trained kittens live. It is bright and airy and has eliminated the occasional respiratory problems, which can sometimes be a problem in a more confined area, and Lynne and Beth spend much of their TV time in there with the cats. Sherman has a large cage in a specially air-conditioned area, separate from most of the girls, with female company - and Jake! - rotating, so that he is never lonely. The rest of the girls have the freedom of the house and Lynne and Beth enjoy having the time and space to spend time with each of their cats on a daily basis.


Tanstaafl Copper Penny and Tanstaafl Memphis Amity

Tanstaafl Copper Penny and
Tanstaafl Memphis Amity as kittens

Asked about their breeding plans for the future, both agree that a new male from Hoosiercoon's Kari of Tanstaafl, bred to Sherman, is their aim. That breeding has already produced SGC Tanstaafl Copper Penny of SSL and Tanstaafl Memphis Amity of SSL, owned by Bettina Pelkmann of Germany, so the combination is already proven. One of Lynne's litters from Sherman also produced SGA Calicoon Sir Milo, owned by Alice Pursell of Illinois, so the hope is that Sherman will shortly produce a son good enough to enable him to retire, since he is now 9 years old. When the right boy turns up, Lynne says that she will be showing more and judging less, for a while! Beth, meanwhile, says that, although she feels that she will never again make a contribution like that of the Clones, because of the great progress made by the breed over the past twenty years, she is thoroughly enjoying being an active breeder, again!



© "Maine Coon International", nummer 23, 2000.
Met toestemming overgenomen.